De tandarts en Edith Piaf….
woensdag 16 mei 2012

De tandarts had een cd van Edith Piaf aanstaan. Terwijl ik weerloos in de tandartsstoel lag, maakte ik in gedachten een sprong in de tijd en was terug in Parijs, zeventiger jaren, alwaar ik een schraal artiestenbestaan naspeelde als student van de circusschool, inclusief ijzige koude op een tochtig zoldertje, levend op stokbrood en water, en af en toe een zondags uitstapje naar Chez Louisette, een mottige eet- en drinkgelegenheid, verstopt in de wrakkiges straatjes van de Marché au Puces.

Het etablissement was een bedompte ruimte, volgestouwd met houten tafels en kale banken, waarop meer mensen mouw aan mouw zaten dan je voor mogelijk zou houden. Obers en serveersters draafden rond en namen ongeduldig bestellingen op of smeten de borden tripes en karaffen wijn op de tafels. Een ober, verzonken in een geheel eigen wereld, liep iedereen in de weg en stond altijd te oreren tegenover een denkbeeldige klant, die hij soms luidruchtig de oren waste.

Maar de grootste attractie was Louisette herself, een klein, propperig, in het zwart gehuld dametje, die op het minieme podiumpje in de hoek van de zaak, begeleid door een dronken accordeonist, het repertoire van Edith Piaff zong. Zoals de ober zich zijn eigen klanten voor de geest haalde, zo groeide Louisette op haar krakkemikkige verhoging uit tot de diva zelf, en zong ze met enorme flair, een grote dosis dramatiek die haar gebrek aan zangtechniek ruimschoots compenseerde, en met een minachtende blik op ons, armzalig schransend publiek, Je ne regrette riensMon legionnaire en La vie en rose.

Na drie of vier nummers schreed ze via een wiebelig keukentrapje van haar verhoging af en liep met een oude hoed langs de rijen tafelgasten, met een blik die uitdrukte dat ze hier als diva toch eigenlijk te goed voor was. Wanneer ze niet tevreden was met de hoeveelheid francs die door deze of gene in de hoed werd gedeponeerd, wierp ze hem een vernietigende blik toe, keek dan verontwaardigd de zaal rond en blikte nogmaals naar de gierigaard, hem daarmee de kans gevend zijn misstap te herstellen en als hij dat niet van plan was, de hele goegemeente ervan te doordringen dat we hier te doen hadden met een onverbeterlijke knibbelaar. Ten slotte toonde ze de inhoud van de hoed aan de accordeonist alvorens het optreden te hervatten.

‘Nou, die zit er weer in,’ zei de tandarts en wierp nog een tevreden blik op de nieuwe vulling.
Ik maakte me met moeite los uit mijn dagdroom. Zou het nog bestaan, Chez Louisette? De ober met zijn denkbeeldige gasten? De Edith Piaff van de vlooienmarkt??
Ik heb geen idee. Maar mooi was het wel.

Bangalijsten en stumpertakken
woensdag 18 april 2012

Gelijk met de lenteknoppen aan de bomen verschenen berichten in de media over bangalijst; een door jongens bedachte rangorde van de grootste sletjes die via Facebook, Twitter en Hyves de wereld wordt ingesmeten.

Het gedachtegoed hierachter is zo oud als Adam en Eva. Het lijkt of we nooit afkomen van die traditionele en seksistische opvattingen over mannen en vrouwen.
Nog altijd zijn liederlijke jongens en mannen met een sliert veroveringen in hun kielzog stoer en te benijden en worden meisjes met een gevarieerd liefdesleven als slet beschouwd.
Verwerpelijk en treurig, dat sommige jongeren deze versteende denkbeelden nog steeds niet achter zich weten te laten.
Maar dat de bangalijsten van alle tijden zijn, ontdekte ik tijdens het onderzoek voor mijn nieuwe boek.

Op het negentiende eeuwse platteland was het, in elk geval in Brabant, een gewoonte dat jonge kerels het gedrag van de meisjes uit hun dorp beoordeelden. Tijdens de Walpurgisnacht, van 30 april op 1 mei, plaatsten de jongens takken op de daken van de huizen waarin ongehuwde meisjes woonden.

De berkentak was voorbehouden aan het mooiste en tegelijkertijd het eervolste meisje van het dorp. Om zowel het een als het ander te zijn en te blijven, dat getuigt ook wel van grote standvastigheid.
Van de kersentak mocht iedereen die zin had plukken, dus dat betekende nummer 1 op de bangalijst, hoewel ook de biezentak, populair bij honden voor het lozen van hun plasje , aangaf dat het meisje in kwestie niet al te eenkennig was.

Takken of lijsten, de achterhaalde visie op mannen en vrouwen is hetzelfde.
Het enige verschil is dat de tak dezelfde ochtend van het dak kon worden gehaald, mocht het meisje daartoe behoefte hebben.
Terwijl die bangalijst, die blijft eeuwig traceerbaar op internet.
Misschien wordt het tijd voor een lijst, waarop we kenbaar maken, welke jongens nog zulke achterlijke denkbeelden bezigen. Een stumperlijst zouden we die kunnen noemen.
Als logo stel ik de tak van de leilinde voor: meestal een kaal, dor en recht stuk hout, waar geen blaadje aan groeien wil!

Mediastilte
zondag 1 april 2012

 

 Waarom gebeurt er de laatste maanden zo verdomd weinig op deze pagina’s?
Maakt de schrijfster onderdeel uit van de onderhandelingen in het Catshuis, waardoor deze complete mediastilte is ingegeven?
Heeft ze schrijfkramp? Is ze depressief? Is ze definitief overgegaan tot berichten in 140 tekens en is een blog haar te lang?

Nee, de schrijfster schrijft….
Fictie dit keer. Geïnspireerd op een serie belangrijke medische ontdekkingen, die bijna honderd jaar geleden gedaan zijn. Over de periode waarin nieuwe inzichten het perspectief op leven en dood veranderden. Over        mannen die alles deden om levens te redden. Over privileges die een redder van de mensheid denkt te hebben. Over het grijze gebied tussen goed doen en slecht zijn.

Een tijd zat ik op het platteland in volstrekte afzondering, met mijn medische mannen, hun grootste ambities en hun menselijke behoeftes.
Er was even geen ruimte voor bloggen en zelfs niet voor die 140 tekens.
Maar nu ben ik er weer.

En eind april, en in mei doe ik nog een serietje Verplicht gelukkig, de voorstelling.
Voor geïnteresseerden: check de agenda.
Het kersje op de taart is:  op 4 mei samen met Lucette van den Berg, zangeres van prachtige Jiddische liederen, en haar begeleider op gitaar, Reinout Verhoef, in de kleine zaal van de Toneelschuur in Haarlem!

In tegenstelling tot de heren in het Catshuis resulteert mijn mediastilte niet in een bezuinigingen op de verkeerde dingen.
Ik kom terug met een mooi boek, dat beloof ik u!

 

Guppies
woensdag 8 februari 2012

Een van de buren is op een tussentijdse vakantie. Daarom ben ik nu de vissenvoedster, die twee keer daags de beestjes van een vleugje vissenvoer voorziet en voor hen beslist wanneer het dag en nacht wordt, door als oppergod de stekker waarmee het licht geregeld wordt erin te stoppen of eruit te trekken. Nooit eerder heb ik me beziggehouden met het fenomeen vis, anders dan via de viswijzer die ik in mijn portemonnee heb, om op de zeldzame momenten dat ik boodschappen doe er verzekerd van te zijn dat de door mij gekochte zee- of rivierbeesten niet tot een bedreigde soort behoren.

Het gaat in de kleine onderwaterwereld waarvoor ik nu verantwoordelijk ben om vijf tropische visjes in een rechthoekig aquarium waarin een pomp een lamp en een aantal waterplantjes een natuurlijke habitat moeten suggereren. Vier mannetjes, herkenbaar aan hun kleurrijke staarten en een vrouwtje, een plomp grijsachtig beestje, dat me, na een paar dagen van observatie, met steeds groter medelijden vervuld. Het wijfje wordt geen moment rust gegund. De mannetjes houden er een straf schema op na en belagen haar de hele dag. Geen moment zwieperen er niet twee of drie met hun staarten en vinnen rondom haar hoofdje, happen naar haar oogjes en schubben, ze maken haar het eten onmogelijk en belemmeren de wanhopige pogingen die ze doet om een schuilplaats achter de pomp of het iele plantje te vinden. Een kantoor vol hitsige kerels rondom een vrouw is er niets bij. Vluchten kan ze niet.

De moeder des huizes heeft me voor vertrek verzekerd dat na de vakantie een paar van die opdringerige mannetjes geruild gaan worden met een paar vrouwtjes uit een bevriend aquarium, maar de week die dit arme beestje nog van dat heugelijke moment scheidt, lijkt me ondraaglijk. Vergeleken met de Eurocrisis, de slachtpartijen in Syrië en het al dan niet doorgaan van de Elfstedentocht gaat het hier om klein leed, dat weet ik ook wel. Maar dit leed speelt zich wel dagelijks onder mijn ogen af en mijn empathie met de vrouwtjesvis is groot. Dag en nacht vier hitsige mannetjes om en aan je te hebben; wellicht is het de droom van vele vrouwen, mij lijkt het een nachtmerrie. Vooral de onmogelijkheid eraan te ontkomen, het is het toppunt van claustrofobie.

Mijn zoon herinnerde me eraan dat vissen geen geheugen hebben en dat maakt het lijden van het beestje misschien iets minder groot. Toch zou ik haar een grot gunnen, met een afsluitbaar deurtje waarvan zij de sleutel heeft. Opdat zij zelf bepaald wanneer en wanneer ze een van de enthousiaste heethoofdige koudbloedigen bij haar toe wil laten.

Oud en nieuw van een haasvreter
vrijdag 30 december 2011

Ik ben niet zo goed in oud en nieuw.

De gelijkenis met mijn kat neemt in de laatste dagen van het jaar onrustbarende vormen aan. Het liefst kroop ik samen met hem weg in het verste uithoekje van de bank om daar te blijven, ik dan het liefst met een flesje witte wijn, tot het geknal voorbij is. Vuurwerk maakt van mij een brok paniek. Zodra ik aan de overkant van de straat een jochie met een rotje ontwaar, breekt het zweet me uit, krijg ik hartkloppingen en ben ik ervan overtuigd dat mijn laatste moment is aangebroken. Het was een mooi leven, jammer dat ik dat tweede boek niet heb kunnen afschrijven, dit was het dan. Verbijsterend hoe vaak ik deze dagen aan een wisse dood ontsnap.

Hoe ik, verder toch een redelijk nuchter wezen, zo’n haasvreter geworden ben weet ik niet. Ik heb wel vermoedens: mijn moeder stak, volop zwanger van mij, op een dag  de oven aan. Deze actie had een gigantische gasexplosie tot gevolg, die de drachtige keukenprinses achterover liet tuimelen, een zwart beroete keuken en een kapot fornuis tot gevolg had en moeder en kind geheel in tact liet. Het stresshormoon dat mijn draagster ongetwijfeld de placenta heeft ingestuurd, doet de foetus in mij nog altijd in paniek schieten bij geknal. En daarbij zal de combinatie van een levendige fantasie, gekoppeld aan een tamelijk zwart wereldbeeld dat me is bijgebracht vanaf het moment dat ik van foetus veranderde in baby, niet erg behulpzaam zijn. Ik heb geen afschrikwekkende reclamespotjes nodig. Iedere knal is voor mij een doof oor, een weggeschoten oog, of een stel bebloede vingers bungelend aan een laatste stengeltje pezen.

Zware dagen dus, deze laatste drie van het jaar. Ik hoop altijd op veel regen, dit jaar tevergeefs, begrijp ik van het KNMI. Na mijn spinningklasje op zaterdagmorgen gaat het kattenluikje op slot en blijf ik bij de kat zitten, totdat mijn lieve gezin en vrienden zich in de avond door het geknal naar ons huis begeven en zij zich dus aan al die gevaren blootstellen. Voor mij is oud en nieuw pas een feest, als iedereen na het geknal, in het bezit van oren, ogen, vingers veilig is teruggekeerd.

Ik wens iedereen een geïnspireerd nieuwjaar toe met veel liefde en compassie. Een jaar waarin solidariteit met mensen die minder geluk hebben dan wij, weer gemeengoed mag worden. Een jaar, waarin de meerderheid in ons land zich weer gaat herinneren hoe goed we het hier hebben en wat een geluksvogels we zijn. Immers, een land waarin zoveel geld de lucht wordt ingeschoten heeft geen reden tot klagen. Behalve over vuurwerk dan.

Misschien wordt ons vandaag toch nog een woord geschonken…
donderdag 22 december 2011

Vandaag werd ik getroffen door een gedicht, dat geschreven is in een tijd, dat de onmenselijkheid tot levenswijze was verheven en dat vandaag helaas nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.

Rochl Korn werd in 1898 geboren in het dorp Podliski, Galicië. In 1919 begon zij in het Jiddisch te schrijven en te publiceren. In 1939 vluchtte zij voor de nazi’s naar Rusland. Van 1946 tot 1948 verbleef zij in Stockholm, om daarna naar Canada te emigreren. Ze overleed in 1982 in Montreal. En ergens tussen 1919 en haar sterfdatum schreef ze Mijn heer. Deze informatie en het prachtige gedicht, is afkomstig uit de bundel: Sprakeloos water, spiegel van de moderne Jiddische poëzie, samengesteld en vertaald door Willy Brill en uitgegeven bij Meulenhoff.  

Ik wil je dringend vragen het te lezen en tot je door te laten dringen, voordat je de kerstdagen in gaat:

 Mijn heer

Mijn heer, bent u misschien vandaag net zo ontheemd als ik
omdat het menselijk hart u buitensloot als ongewenst,
bent u ook onderweg naar eenzaamheid als ik,
verplaatst u zich van deur naar deur, van grens naar grens?

Waar vinden wij een toevlucht, Heer, voor onze dromen
zodat zij niet verteren in het aanstormende vuur?
Het sodomt reeds alom, er kan een zondvloed komen
alleen door onze eigen tranen, een speling der natuur.

Het sodomt reeds alom, de nacht komt aan, het donkert -
o, vraag mij niet, mijn Heer, waarheen de weg ons leidt,
misschien wordt ons vandaag toch nog een woord geschonken,
een menselijk woord, dat drempel wordt, en dak, en veiligheid.

En mocht je de petitie voor een generaal kinderpardon nog niet getekend hebben, zou je dat, voor je aan de kerstdis gaat, nog even willen doen?

Ik wens iedereen prachtige en menselijke feestdagen toe,
en een nieuwjaar, waarin je je welkom kunt voelen.

 

sportschool-blues
zaterdag 26 november 2011

Zaterdagochtend, dertig zwetende sportievelingen nemen deel aan de populaire spinningles.

We zitten op onze fietsen en op de beat van de luide house-muziek, onder leiding van spinning-juf Moniek trappen we ons naar het einde van de les toe. We naderen de finale en de weerstand moet omhoog; het verzet wordt opgevoerd van twaalf naar vijftien, naar zeventien, naar twintig. Loodzwaar is het, de beenspieren lopen vol, het zweet gutst van onze lijven af. Door haar microfoon roept Moniek ons aanmoedigingen toe. ‘Wie gaat er mee naar vierentwintig en wie kan nog hoger’ daagt ze uit. ‘Achtentachtig,’ grapt een van de deelnemers, een vijftigjarige man met een indrukwekkende buikomvang, waaraan zijn regelmatige spinning-inspanningen nu niet direct zijn af te lezen. Moniek, een twintiger met een perfect figuur, grinnikt hem toe. ‘Dat zal je gewicht wel wezen,’ zegt ze. Achtentachtig is voor haar ongetwijfeld een afschrikwekkende hoeveelheid kilo’s. Maar ja, ook kilo’s zijn relatief. Ik schat dat het gewicht van de man toch minstens negennegentig kilo moet zijn. ‘Was het maar waar’ verzucht hij dan ook en zet zijn verzet nog een tandje hoger. Voordat hij op achtentachtig zit, zal hij nog heel veel kilometers moeten wegtrappen. En er zal een een bierstop voor nodig zijn, schat ik zo in.

Waterkoud
donderdag 17 november 2011

Een mistige ochtend. Waterkoud, wat ik een prachtig woord vind, maar een akelige toestand.

Op weg naar een training fietste ik in de vroege ochtend naar de pont over het IJ. Voor ik het spoorviaduct onderdoor fietste, zag ik een magere man, met hoog opgetrokken schouders zwalkend over de stoep lopen, vlak langs de waterkant. Verder was het doodstil op straat. Ik fietste onder het viaduct door en merkte op dat de man plotseling verdwenen was. Dat was vreemd, hij zou pas halverwege de passage moeten zijn. Ik zocht met mijn ogen de waterkant af en zag hem in het ijskoude water dobberen. Zijn windjack bolde op, zijn armen maaide wild door het water en hij stootte woedende klanken en vloeken uit. Er was niemand onder de brug te zien. Ik smeet mijn fiets neer, ging voorover liggen en reikte hem mijn hand. ‘Godsgloeiende kankertyfus’ schold de man, terwijl hij om zich heen sloeg. Een golf water gutste zijn geopende mond binnen, wat geproest en nog meer gevloek opleverde. ‘Pak mijn hand vast,’ schreeuwde ik hem toe, trachtend zijn gescheld te overstemmen. Zonder zijn gevloek te onderbreken deed hij een greep naar mijn hand, zetten zijn benen tegen de wallenkant aan en ik trok zo hard als ik kon. Even leek hij mij het water in te trekken, maar gelukkig bleek hij met zijn benen voldoende grip te krijgen op de muur en in een mum van tijd stond hij druipend op de kant.

Terwijl ik opstond schudde hij zich uit, als een verzopen hond, keurde me geen blik waardig en zwalkte luid scheldend naar de overkant van de straat, waar hij verdween door de deur van Blaka Watra, het opvangcentrum voor verslaafden. De man was zo ver heen, dat ik me afvroeg of hij het verschil zou merken tussen het zwarte water waar hij zojuist druipend uit was getrokken en het Blaka watra dat hij net was binnengestapt.

Ik poogde de modder van mijn smaakvolle trainingsjurkje af te vegen en bedacht ik dat ik nooit eerder een mensenleven gered had. Dat is een mooi gevoel, maar het feit dat de persoon in kwestie dat zelf niet eens had opgemerkt, deed wel iets af aan de triomf. De zwarte moddervlek was niet helemaal uit mijn trainingsjurkje te vegen. Ik pakte mijn fiets op en vervolgde mijn weg door de vroege winterochtend, die waterkoud aanvoelde.

Mexico 2
woensdag 16 november 2011

Vorige week was ik uitgenodigd bij een leesclub. Ik stelde me voor dat er een stuk of zes lezeressen zouden zijn, maar bij binnenkomst trof ik achttien vriendelijke en enthousiaste dames. Voor de gelegenheid had de organisatrice van de bijeenkomst een tweede leesclub uitgenodigd en waren ook een aantal vriendinnen aangeschoven. Ik speelde als smaakmakertje twee scènes uit mijn voorstelling, waarop enthousiast gereageerd werd: veel geknik en gelach. Het werd een mooie avond. Er ontstond een geanimeerd gesprek. Ik vond het een bijzondere ervaring om me in een kring van mensen te bevinden, die allemaal mijn boek op schoot hadden liggen en uit de vragen lieten blijken, dat ze het intensief gelezen hadden. Een ontmoeting met allemaal dames ‘die uit Mexico kwamen,’ net als de vrouw uit mijn vorige post. Voor de meeste van hen zat er veel herkenbaars in mijn verhaal. Toen ik hen vertelde dat ik niet lang daarvoor de uitdrukking: ‘Kom je ook uit Mexico’ geleerd had, barsten ze allen in lachen uit. Voor hen was deze uitdrukking gesneden koek.

Een van de dames kende de herkomst van deze uitdrukking. Het moet een verbastering geweest zijn van de uitspraak: ‘Macht sie keiner’. Oorspronkelijk gebezigd door Nederlandse joden die daarmee joden uit Duitsland beschreven. De behoefte zich te onderscheiden is niemand vreemd. Of het de geschiedenis is, die de oorspronkelijke tekst van de uitdrukking heeft doen veranderen, of de onduidelijke articulatie van menig murmelend oudje, daar ben ik nog niet achter. Er zullen wel een aantal generaties overheen zijn gegaan, voordat de verbastering een feit was.

Het was een leerzame avond, vol verhalen met een vleugje weemoed, soms ontroering en veel gelach.
En met veel heerlijkheden, want die ontbreken nooit bij hen uit Mexico!

Kom je ook uit Mexico?
donderdag 3 november 2011

Van de week speelde ik in de mooi opgezette boekenwinkel Iwema waar, mede dankzij een goed reclamebeleid van de eigenaresse, een groot publiek was toegestroomd voor Verplicht gelukkig, de voorstelling.

Er was sprake van een aandachtig gehoor. Mannen en vrouwen, jong en oud. Zo wil ik het graag!
In het publiek zat een vrouw die me bekend voorkwam. Ze keek met enthousiaste blik, ze knikte dikwijls, alsof ze veel herkende. Soms lachte ze hardop, wat niet iedere kijker durft te doen. Ze liet voelen dat het aankwam wat ik speelde en vertelde. Een fijn iemand om in het publiek te hebben.

Tijdens het signeren stond ze voor mijn tafel. ‘Kennen we elkaar niet?’ vroeg ik haar. ‘Nee’ zei ze, ‘we kennen elkaar niet, maar ik kom ook uit Mexico, dat zal het zijn.’

Ik keek haar vragend aan. Mexico? Nog nooit in mijn leven geweest. Ze sprak accentloos Nederlands en zag er niet uit alsof ze geworteld was in Zuid-Amerikaanse contreien. Ze lachte. Ken je die uitdrukking niet? ‘Kom je ook uit Mexico, dat zeggen we, als je beschroomd bent om te vragen of je ook joods bent.’

Die houden we erin. Geen voorzichtig polsen meer, als je vermoed dat een ander wellicht ook….  Niks ervan, recht erop af: ‘Kom je ook uit Mexico?’
En dan maar hopen dat de ander met deze uitdrukking bekend is.

 

Het Tropenmuseum en de neuscorrectie
maandag 24 oktober 2011

Ze liep met snelle passen langs. De kleine peuter die haar rechterhand vasthield, kon haar ternauwernood bijhouden. In haar linkerhand hield ze een paar doosjes medicijnen, terwijl ze tegelijkertijd trachtte met dezelfde hand een sjaal voor haar gezicht te houden. Toen ik haar passeerde, schoof de stof een beetje naar beneden en werd het stukje pleister op de neus zichtbaar. Een neuscorrectie dus, die gepaard leek te gaan met veel gêne.

Mijn gedachten gingen terug naar Teheran, 2003-2006. Ik kwam daar in die tijd een aantal keren in opdracht van het nu in haar voortbestaan bedreigde Tropenmuseum. We werkten aan een uitwisselingsproject tussen kinderen hier en daar. Een van de dingen die opvielen in het straatbeeld van Teheran was het grote aantal bepleisterde neuzen. Het leek wel of een op de tien vrouwen zojuist een neuscorrectie had ondergaan. Navraag leerde dat de neuscorrecties in het land een enorme vlucht hadden genomen, sinds het regime de alles verhullende kledij voor vrouwen verordonneerd had. Als alleen het gezicht getoond mag worden, dan moet dat enige stukje persoonlijkheid wel zo perfect mogelijk zijn. Maar niet alle dames die een neuscorrectie verlangden, hadden daarvoor de financiële middelen. En dus was het grote mode om, als je geen geld had om je neus tot meest ideale lichaamsdeel te laten boetseren, dan als pleister op de wonde in godsnaam maar een pleister op je neus te plakken. Om je dan naar buiten te spoeden. De verbonden neus in de lucht, opdat voorbijgangers zouden denken, dat je een van de draagkrachtigen was, die  zichzelf van een nieuwe neus kon voorzien.

Het dient geen enkel economisch belang om te weten dat men in de straten van Teheran vanuit een ander perspectief aankijkt tegen een neuscorrectie dan op de Amsterdamse Overtoom. Toch is het dichtbij halen van een andere wereld, het buiten je eigen context kunnen kijken, het verbreden van je horizon, een essentieel vermogen voor ieder mens. Het maakt dat je jezelf wat kunt relativeren. Dat je leert zien, dat er meerdere opties zijn om tegen de wereld en het leven aan te kijken. Dat vermogen in mensen naar boven halen, is de kracht van het Tropenmuseum. Niet-westerse culturen belichten, inzoomen op de verschillen en helder maken, hoeveel er is dat ons, mensen van over de hele wereld, bindt.

In Teheran loopt een vrouw, gehuld in een wijd gewaad dat haar ranke figuur verbergt, met een hoofddoek over Ferdosistreet, ze steekt haar bepleisterde neus trots in de lucht. In Amsterdam wordt het herfst, de bomen verliezen hun bladeren, de duisternis valt al vroeger in. Ik zie een jonge moeder zich beschaamd over de Overtoom haasten. En hoop, dat Ben Knaapen bij zinnen komt, voordat een imposant en belangwekkend museum, dat de belichaming is van onze geschiedenis, geamputeerd wordt als een neus waarop geen correctie wordt uitgevoerd, maar die uit het gezicht wordt weggesneden. En een weggesneden neus, dat weet iedereen, krijg je nooit meer terug.

 

 

 

 

 

 

Toen werd het weer stil
maandag 3 oktober 2011

Ik was de afgelopen weken in de gelukkige omstandigheid vakantie te houden op een plek, waar niets anders te horen was dan het geluid dat wij, familie en vrienden, voortbrachten. Daarnaast hoorde je soms de wind, die door de bomen ruiste. Iedere middag verschenen twee of drie buizerds, die met hun kenmerkende Pieeeuuuw kenbaar maakten dat ze op jacht waren. Verder was het stil. De rust werd nog versterkt door het gebrek aan bereik. Geen telefoon, geen internet, geen televisie of zelfs radio. Deze tegenwoordige unieke onstandigheid bood alle ruimte voor meditatieve activiteiten zoals het verslinden van boeken, het bespreken van onze dagelijkse, tamelijk gelukzalige toestand en de zorgelijke ontwikkelingen in de wereld, het verpozen in het zwembad en het tot ons nemen van vers en zongerijpt voedsel, dat met veel knoflook en olijfolie werd bereid, meestal door mijn lief, de meesterkok. De overheerlijke wijn tenslotte vervolmaakte deze idylle.

Tot op een vroege morgen de stilte werd verbroken door een oorverdovend geblaf van een, nee twee, nee drie honden. Door het raam kijkend en om het huis lopend waren ze niet te zien. Het opdringende geluid hield niet op, in tegendeel, het werd steeds harder en kwam dichterbij, totdat op een gegeven moment de roedel ergens in de directe omgeving tot stilstand moest zijn gekomen, te horen aan het constante geblaf dat onze stilte bleef doorbreken. Na de eerste koffie ging ik op onderzoek uit. Ik beklom de berg, waar het geluid van de misschien wel wilde dieren vandaan kwam. Boven werd het pad versperd door een hoog hek. Daar zag ik de oorzaak van het tumult.

Pal achter het hek stond een reusachtig wild zwijn, zwart, dik en met een enorme lange stompe neus, waarmee ze in betere tijden misschien de heerlijkste truffels wist op te graven. Maar nu had ze andere zorgen. Haar jong, klein, bruin en nog onbehaard, verstopte zich achter haar voor de drie jachthonden, die hen in deze hoek hadden gedreven maar verder ook niet wisten wat ze met de buit aan moesten, omdat er kennelijk nergens in de omtrek een jager was die het karwei af kon maken. Zo hadden drijvers en prooi zichzelf urenlang in de tang gehouden: moeder en kind tegen het hek, de drie honden in een ruime cirkel om hen heen. Even stonden zwijn en ik oog in oog met elkaar. Toen besloot het in het nauw gejaagde beest dat drie jachthonden te verkiezen waren boven een lang, roodharig vrouwmens in bikini-topje en huppelrokje achter een hek. Het beest knorde vervaarlijk, naar mij, niet naar de jachthonden, en waggelde in een voor haar ongetwijfeld snel tempo recht op de jachthonden af, die verschrikt door de plotseling gewijzigde omstandigheden ruimte voor haar maakten. Ze verdween in de struiken, het jong wiegelde achter haar aan. De drie jachthonden verdwenen blaffend achter hen in de bosjes, en waren snel buiten gehoorsafstand.

Vanaf dat moment was het weer stil.
Tijd voor een duik in het zwembad, om daarna snel door te lezen in Retour Palermo van Philip Snijder.

Het voorstel van de dag!
maandag 15 augustus 2011

 

Ik wil graag minimaal vier maanden van uw tijd, maar het kan ook wel een paar maanden uitlopen. Zeker twintig uur per week. Daarvoor levert u ons teksten en bent bereid ze te herschrijven als we dat willen. We spreken af dat u ook teksten van anderen leest en van commentaar voorziet. U belooft eens in de twee weken op redactievergaderingen te verschijnen. Wat een eer dat u mee mag schrijven aan ons project, nietwaar?

O ja, de verdiensten? We werken uitsluitend op royalty-basis. Dus, als het project niet ergens tijdens de lange productiefase sneuvelt, en als we uiteindelijk besluiten de methode ook werkelijk uit te geven, en als we in die drie of vier jaar die er zit tussen uw schrijven en de verkoop van de methode niet al failliet zijn gegaan, dan zult u, inshallah, een klein percentage van de winst ontvangen. Zo doen we dat altijd.

Nee, niet met iedereen. Natuurlijk alleen met de schrijvers. De directeur, de uitgever, de vormgever, de secretaresse, de zetter, de drukker, ze krijgen allemaal direct betaald. Keurig volgens de CAO of volgens hun freelance-contract. Maar schrijvers, nee, daar kunnen we niet aan beginnen. Zoveel risico kunnen we in deze slechte tijden echt niet te nemen.

Goh, u ook niet? U kunt van de lucht niet leven? U weet toch dat u als schrijver geen eisen kunt stellen. Dan had u maar directeur moeten worden. Van een ziekenhuis of een bank. Of van een grote uitgeverij.

 

 

Liberale revolutie?
zondag 10 juli 2011

Er heerst een gevaarlijke epidemie in Waterland. ‘Schilderen lantaarnpalen’ schreeuwen zwarte letters overal vanaf knalgele ondergrond je toe, met daarboven een rode driehoek met een zwart uitroepteken op witte ondergrond. Dat internationale waarschuwingsbord geeft aan dat de voorbijganger bedreigd wordt door grote gevaren.

Van onze zo daadkrachtige regering mogen we toch verwachten, dat hun communicatie met de burger gevoerd wordt in perfect Nederlands. Daarover heb ik bij de tekst op dit bord mijn grote twijfels.

Want wat moet de voorbijganger zich bij deze waarschuwing voorstellen? Schilderen lantaarnpalen! is voor velerlei interpretaties vatbaar en in elk geval krakkemikkig Nederlands.

Gezien de nadruk die de regering op eigen verantwoordelijkheid legt, zou het kunnen betekenen dat ‘de controleur’ geconstateerd heeft dat de lantaarnpalen een verfje kunnen gebruiken en op deze wijze de Waterlander attent wil maken op zijn burgerplicht de verlichting in zijn straatje een verfbeurt te geven. Gezien het uitroepteken is dit geen voorstel of vraag, maar een uitdrukkelijk bevel. In dat geval was het handig geweest een deadline aan te geven, wanneer de controleur terugkomt om na te gaan of de burger aan zijn plicht voldaan heeft. En misschien ook een advies over de kleur die gebruikt moet worden, of betekent de verzelfstandiging van de burger ook dat deze zelf mag kiezen welke kleur zijn of haar lantaarnpaal krijgt?

Of is het een oproep van Halbe Zijlstra, die een nieuwe activiteit voor kunstenaars heeft bedacht? Geen gekladder meer op canvas, doe iets nuttigs, verf het land! Dit is misschien het begin van de liberale revolutie, waarbij de kunstenaars een nieuwe taak in het leven krijgen: lantaarnpalen schilderen. En als ze daarmee klaar zijn, verschijnt een nieuw bord: Schilderen hekjes! Schilderen bankjes! Schilderen openbare toiletten! Dat zal ze leren. Zo wordt ons opgeschilderde land eindelijk de plek waarbij men de vingers vol terpentijn af kan likken.

Ik zie nog één andere mogelijkheid; hier wordt de voorbijganger gewezen op een uniek fenomeen, namelijk dat de lantaarnpalen zelf aan het schilderen slaan. Dat is natuurlijk nog nooit ergens ter wereld vertoond en verdient onze oprechte trots. In Griekenland zie ik ze dat nog niet doen, daar geven de lantaarnpalen straks niet eens meer licht. Dit kunnen alleen echte, Nederlandse lantaarnpalen. Maar ook hierbij geldt, dat de informatie betrekkelijk summier is. Want wanneer doen die lantaarnpalen dat dan, overdag, ‘s nachts? Kun je daar gewoon naar kijken, of durven ze dan niet meer? Moet je je verstoppen in een speciaal daarvoor aangelegde lantaarnpaalkijkhut?

Kortom Mark Rutte, voordat je van je welverdiende vakantie gaat genieten, graag nog even de bezem door de afdeling communicatie. In plaats van vijfendertig procent Nederlands repertoire (Frans woord, één strafpunt), eerst correct en helder Nederlands op de borden in Hollandse straten.

 

Endorfine-kick
woensdag 6 juli 2011

Toen de endorfine werd uitgedeeld heb ik even niet opgelet en dus heb ik te weinig van dat vrolijk-stemmende goedje in mijn lichaam. Daardoor ben ik geneigd tot sombere bespiegelingen en inactiviteit. Gelukkig bestaat er een goede remedie tegen dit gebrek en dat is beweging. Vijf van de zeven dagen in de week beginnen voor mij met meer dan gemiddelde activiteit. Ik trap me regelmatig het leplazerus in de spinningles op de sportschool, doe daar aan power-yoga, zwem mezelf buiten adem in het vijftigmeterbuitenbad, of ik doe vroeg in de ochtend een rondje Waterland. En hoewel  alle activiteiten een groot gevoel van tevredenheid tot gevolg hebben, is het rondje Waterland de gelukzaligste. Want daar wordt de endorfine-aanmaak begeleid door een feest van sensaties, die een mens werkelijk verzoenen met het bestaan op aarde.

Het begint met de begroeting van de onvermijdelijke aalscholver, die op het paaltje in het Buiten-IJ zijn vleugels spreidt als ik de Schelllingwouderbrug overrijdt. Natuurlijk doet die dat omdat hij op zijn beurt behept is met een klein handicap, en dit de enige manier is waarop zijn vleugels drogen. Maar ik beschouw het als een begroeting met open armen: “Ha Goldschmidt, fijn dat je er weer bent!’ en dat ben ik met hem eens. Bij Durgerdam de dijk op, waar het IJselmeer schittert in de zon, of de wolken weerspiegeld worden in het water, de wind me tegenmoet of in de rug blaast en het riet ruist. Langs het vogeleiland, de broedplaats van talloze watervogels. Het is de enige plek die ik ken, waar het geluid van duizenden kwakende, kwetterende, schreeuwende, krijsende vogels ieder ander geluid overtreft. Zuivere gelukzalig-makende muziek. De grutto’s, de kluten, de wulpen zijn al weer vertrokken, lijkt het. Maar soms zweeft de buizerd over het veld, de kievieten schreeuwen boven het weiland, de scholeksters wroeten met hun oranje snavels in de grond en dit jaar wonen er twee lepelaars, die dikwijls onverstoorbaar met hun brede snavels door het slootwater schoffelen.

Zo ‘s morgens vroeg is het nog stil op de dijk, een enkele sportieve naaktzwemmer, altijd oude mannen, daargelaten. Na de dijk naar Marken terug door het groene polderland, waar de enige zorg weerspiegeld wordt in een lekkend dijkje, dat dat al twee jaar doet en een steeds grotere natte plas op de weg veroorzaakt. Een tsunami van water bedreigt het lage land!

Het eerste deel van de tocht doe ik in matig tempo, en wordt regelmatig onderbroken door het vogels spotten. Eenmaal tussen de weilanden, is het tijd voor het trekken van sprintjes. Wanneer ik tenslotte bij de pont van de Meeuwenlaan arriveer en daar zo’n fantastische cappuccino drink die gebrouwen wordt door de Italiaanse mevrouw uit het kleine versnaperingshuisje, lacht het leven me weer tegemoet.

Zeshonderd calorieën lichter en vol endorfine. De dag kan beginnen!

 

Hollandse waarden in Haaren
dinsdag 21 juni 2011

Ik sta met mijn zus en broer in het pittoreske winkeltje dat de kweker tijdelijk in de schuur gevestigd heeft om de asperges zo vers mogelijk te  verkopen. Het gele goud ligt verleidelijk glanzend in bakken water. Keurig gerangschikt naar grootte en dikte, mooier dan je ze ooit in een  supermarkt ziet. Dit zijn de asperges die dezelfde morgen door de Polen uit de grond gestoken zijn, vertelt de verkoopster trots. En alles wat niet  deze dag verkocht wordt, gaat naar de veiling, en dan verder het land in. Verser dan hier zijn ze nergens te krijgen.

Een vrouw van ongeveer zestig jaar stapt binnen en mengt zich in het gesprek dat wij als randstedelingen met de locale klanten voeren. Ze zijn er  trots op, op hun asperges, hier in Haaren. Mevrouw, gekleed in een keurige burgerbloemenjurk verklaart luidkeels: ‘Ik zeg altijd tegen mijn  schoonfamilie: er komen maar twee goeie dingen uit Haaren, en dat zijn aardbeien en asperges. En daarmee heb ik ze altijd op de kast.’  Ze kijkt  triomfantelijk de winkel rond, en straalt in alles uit dat ze fier is op deze uitspraak. ‘Daar zullen ze blij mee zijn,’ mompel ik een beetje geneert voor me uit. ‘Nou,’ beklemtoont mevrouw terwijl ze haar borsten nog pronter naar voren steekt,’ daarmee heb ik ze ALTIJD op de kast.’

‘En daar draait het om, hè mevrouw’ zegt mijn broer Miquel meewarig, ‘dat heeft u dan toch maar weer mooi bereikt.’
Even lijken de borsten iets in te zakken, de schouders buigen naar voren, haar ogen kijken onzeker van de een naar de ander. Dan kijkt ze weg van ons en zoekt steun bij de plaatselijke clientèle. De bekende gezichten lijken haar gelijk te bevestigen. Want ze haalt diep adem, steekt haar borst weer omhoog en verkondigt nogmaals luid en duidelijk: ‘Maar dan HEB ik ze ook op de kast.’ We stappen de winkel uit met de lekkerste asperges die te krijgen zijn en in de wetenschap dat men zich ook op het Brabantse platteland tegenwoordig graag laat voorstaan op het vermogen tot kwetsen. De nieuwe Hollandse waarden?

 

De Titanic en de top.
maandag 13 juni 2011

Toen de Titanic zonk behoorden de meeste gereddenen tot de eersteklaspassagiers. De toegang naar de bovenste dekken waar de sloepen zich bevonden, werd afgesloten, opdat de elite hun plek niet versperd zou vinden door het gewone plebs. Het gevolg was dat het vooral de minst draagkrachtige mensen waren die in de ijskoude zee verdronken.

In deze dagen zijn het in Nederland de ouderen, gehandicapten, psychiatrische patiënten, asielzoekers, alleenstaande ouders, kunstenaars, die doelbewust in het koude water gegooid worden, terwijl de rechtse elite hun vingers zit af te likken in hun sloepen. Genietend van de hypotheekrenteaftrek voor welvarende huizenbezitters, de belastingvoordelen voor grote bedrijven, de bonussen voor de bankhaaien die na de crisis gewoon door mogen gaan met graaien.

Kapitein Rutte heeft een staatskereltje in dienst genomen die er zich op laat voorstaan geen verstand te hebben van het veld waarover hij beslissingen moet nemen. ‘Ich habe es nicht gewusst’ is een zinnetje dat hem vast nog vaak van pas gaat komen. In het Volkskrantinterview met hem afgelopen zaterdag, heeft hij eindelijk zijn visie op kunst geopenbaard.’ Van kunst moet je blij worden en energie krijgen,’ heeft hij uitgeroepen. Tja, dan kun je inderdaad de hele subsidie overboord keilen. Dat wordt ik ook van een goede cappuccino.

Een paar instellingen worden gespaard. Topinstituten, jawel, die ervoor gezorgd hebben dat ze beschermd worden door bestuursleden met connecties in de stuurhut van het schip, dat in volle vaart afkoerst op een allesvernietigende ijsberg. Solidariteit, ik ben bang dat ook dat een begrip is, dat als linkse hobby in de ijskoude zee verzopen is. Ik heb in de reacties van het Nederlands Danstheater, het Nationaal Ballet, Het Rijksmuseum, Toneelgroep Amsterdam in elk geval geen woord vernomen waaruit blijkt dat zij geschokt zijn over het feit dat hun puntje van de piramide dan wel gespaard blijft, maar die enorme humuslaag waarop hun toplaag rust, compleet wordt weggevaagd. De meesten zijn blij met de ‘scherpe keuze’ die het staatskereltje gemaakt heeft.

Misschien is dat de eerste reactie; opluchting, omdat ze nog net aan boord zijn getrokken. Ik hoop dat ze, eenmaal warm geworden, zich realiseren dat zij, dankzij hun Mabel, Bea, Bolkestein of Zalm wel een plekje gekregen hebben, maar dat  een toplaag alleen maar kan bestaan bij de gratie van een brede en diverse onderlaag. Wat er gebeurt als je beginnelingen aan de top zet, dat kun je op dit moment zien bij het staatskereltje van cultuur. Laat dat een waarschuwing zijn.

 

 

The toughest guy on the block
woensdag 8 juni 2011

De vrouw zonder wie ik nooit bestaan had is zaterdag gestorven.
Zij die mijn vader in de oorlog het leven redde, heb ik nooit gezien, maar speelde desondanks een belangrijke rol in mijn jeugd. Haar ‘Dagboek uit BergenBelsen’, in 1965 bij Querido uitgekomen, was bij ons thuis de maat der dingen. Ze was de eerste vrouw van mijn vader en heette Renate Laqueur.
Ze was voor mij een heldin, zonder wie mijn vader niet had overleefd en zonder wie ik dus niet had bestaan.

In 1950 verliet ze mijn vader voor wat ze ‘de liefde van haar leven’ noemde. Ze volgde haar ‘Father figure lover’ naar de Verenigde Staten, en betrok met hem een appartement in Manhattan, waar ze tot op de dag van haar dood gewoond heeft. Ze werkte als secretaresse in een kankerinstituut, studeerde American English Literature en schreef een proefschrift over kampdagboeken. Ze overleefde kanker en een ernstige beschadiging aan haar ruggenwervels, kwam vaak naar Europa en vertelde op Duitse scholen over haar ervaringen in de oorlog.

Toen ik aan mijn boek werkte zocht ik contact met haar; er ontstond een uitgebreide email-correspondentie. Soms belde ik haar. Als negentigjarige zat ze regelmatig drie uur te zwoegen op een mailtje, omdat haar lichaam niet mee wilde werken. ‘You have no idea how clumsy I’m with that damm computer, also my fingers do not obey instructions’ mailde ze me eens. Maar email was haar venster op de buitenwereld en doorzettingsvermogen en wilskracht heeft ze haar hele leven gehad. ‘My aunt’ zei een neefje ooit over haar, ‘is the thoughest guy on the block.’

Toen ze de eerste versie van mijn manuscript las, mailde ze me per ommegaande: ‘ It is an amazing peace of both history and literature. This should be published in English. You need to find a billangual translator, it is a pity I am in such a lousy shape.’ Anders was ze er direct aan begonnen.

Haar grote angst was dat ze op een dag haar appartement zou moeten verlaten en in een bejaardenhuis zou worden gestopt. Ze was van mening dat je niemand die een kamp heeft overleefd dat mag aandoen. Gelukkig is het haar bespaard gebleven.

Zaterdag stierf ze, tweeënnegentig jaar oud. Nog geen twee maanden na Louis Tas, aan wie ik soms haar groeten moest overbrengen. Toen ik haar belde om te vertellen dat hij overleden was, reageerde ze precies zo als acht maanden daarvoor, toen ik haar vertelde dat mijn vader gestorven was. ‘Thanks God,’ zei ze beide keren, ‘no more suffering. It was about time’.

De kans is groot dat haar reactie op haar eigen dood ook zo geweest zou zijn.
Renate Laqueur, Louis Tas en mijn vader. De laatste getuigen die als volwassenen uit BergenBelsen waren teruggekeerd.
In tien maanden tijd zijn ze alle drie gestorven. Een einde aan het gevecht dat leven heet.

 

 

 

 

Nooit meer Jaap
zondag 29 mei 2011

Mijn vriend Jaap is dit weekend niet eenenzestig geworden.
Dat is opmerkelijk want een gezonder man dan hij kende ik niet. Toen ik hem veertig jaar geleden leerde kennen was hij broodmager, en anders dan de meeste vrienden en ikzelf, is hij altijd zo dun gebleven. Hij rookte niet, dronk met mate, en sportte fanatiek. Hij was trots op zijn gespierde armen en zijn wasbordbuik. Hij maakte prachtige foto’s op zijn vele reizen, schreef mooie teksten voor kinderen, en was een humoristische en liefdevolle vriend. Hij woonde met zijn partner drie minuten van ons vandaan en omdat hij altijd bijzonder verstrooid was, en wij hun reserversleutel bewaarden, zag ik hem regelmatig. Dikwijls een onverwacht kopje koffie, waarbij het leven werd doorgenomen.
Jaap had een joodse moeder, die in de oorlog bij zijn toekomstige vader zat ondergedoken. Na de oorlog trouwden ze en kregen drie kinderen. Een onbezorgde jeugd was het niet. De vervolging en de vermoorde grootouders maakten dat er over het leven een grauwsluier hing en had van zijn moeder een angstig mens gemaakt. Zijn vader, een enthousiast en gedreven Montessori-onderwijzer, stierf aan kanker toen Jaap acht was. En toch groeide Jaap op tot een enthousiast, inspirerend en initiatiefrijk mens. Hij had altijd een originele en authentieke kijk op literatuur, film, theater en de wereld. Was wars van hypes en modes.

In de vier jaar dat ik aan het boek werkte, sprak ik vaak met hem over onze jeugd, waarin de oorlog zo’n bepalende rol had gespeeld en bij ons allebei een van onze ouders zo sterk getekend had. Nooit las hij een eerste of tweede versie, hij en ik verheugden ons beiden op het moment dat hij het gedrukte exemplaar van Verplicht gelukkig in handen zou krijgen. Ik heb me een aantal keren voorgesteld hoe we het boek samen uitgebreid zouden bespreken. In de week dat ik de eindversie bij de uitgever moest inleveren, stond zijn hart in zijn broodmagere lichaam, boven zijn wasbordtorso, onverwacht stil. Tot verbijstering van iedereen was Jaap van Sonderen opgehouden te leven.

Nu zijn we met een kleine groep familie en vrienden samen in Zeeland. Eten yogitaart, drinken de door hem bij een bevriende wijnboer bestelde crémant d’alsace, en halen herinneringen op. Jaap stierf op 4 februari. Het is onverteerbaar, dat hij er niet meer bij kan zijn. We missen de onderkoelde en relativerende opmerkingen, die hij zelf over zijn eigen dood gemaakt zou hebben. We doen dapper pogingen om te leven met zijn afwezigheid, maar het ontbreken is in alles aanwezig. Nooit meer Jaap, zou het ooit wennen?

 

 

 

Het Belgisch Loodswezen
dinsdag 10 mei 2011

Op tour zijn vraagt om bijzondere pleisterplaatsen.
Dus na het optreden vrijdag in de Drvkkery in Middelburg; prachtige winkel, geweldige ontvangst, minimaal publiek want te mooi weer, te veel vakantie, en te onbekende auteur, togen Lief en ik naar Vlissingen, voor een aspergemenu op het terras van het Belgisch Loodswezen.

belgische loodsen op weg Met een bezoek aan deze sociëteit stap je terug in het verleden. De oude, bonkige, Belgische zeelieden zitten rondom de bar, die ze hun huiskamer  noemen. Daar wachten ze, respectievelijk achter een pilsje als de dienst erop zit, of een colaatje, als die nog beginnen moet. Ze zien eruit alsof ze  nauwelijks meer achter de geraniums vandaan te halen zijn, maar dat is een vergissing. Deze mannen trekken er bij nacht en ontij op uit. Ze laten  zich op kleine slepertjes naar de enorme containerschepen midden op zee varen, en klimmen soms nog langs een touwladder omhoog, twintig,  dertig meter, langs een immer deinende wand. Alsof je tijdens een aardbeving een flatgebouw beklimt, terwijl een tsunami aan je voeten knabbelt.  Eenmaal boven voegen zij zich op de brug bij de kapitein met als doel het varend warenhuis door het steeds veranderende zeelandschap van  vaargeulen en zandbanken te loodsen.

Ik heb hier ooit eens een avond met een loods zitten praten. Een beetje onwillig was hij, maar ook wel trots op het vak dat hij al bijna veertig jaar uitoefende. Zijn kinderen mochten geen loods van hem worden,hoewel hij goed verdiend had. Het is de pest voor een gezinsleven. Je bent er nooit, niet voor je vrouw en niet voor je kinderen. Je blijft altijd en eeuwig de man, die zelfs op zondag niet het vlees snijdt. De eeuwige afwezige, dat is het lot van de loods. Een rol waar je aan went. Want hoewel het hem steeds moeilijker afgaat, vooral de adembenemende circustoeren die hij nog altijd moet uithalen om aan boord te komen, schrikt het komende pensioen hem af. Wanneer je altijd een figurant in het leven van je vrouw en kinderen bent geweest, hoe moet je dan opeens een hoofdrol opeisen? Hoe slijt je de dagen in die riante villa, die je met het harde werken en de goede betaling hebt kunnen kopen?

Daarom werkt hij nog maar even door. Hoewel het hem steeds zwaarder valt. Het klimmen, maar vooral het feit dat er tegenwoordig zoveel kapiteins zijn, die alleen maar Russisch of Chinees of Taiwanees spreken. Waardoor er vele hachelijke situaties ontstaan, want de loods is verantwoordelijk, terwijl het eergevoel van menig kapitein groter is dan de vaargeul breed is.

Al pratend merk je dat zelfs hier de tijd is voortgeschreden en dat nooit iets blijft zoals het was. Op het plafond van de sociëteit is een prachtige luchtspiegeling geschilderd, het vertrek is lichter gemaakt door het openbreken van dichtgemetselde ramen. Alles verandert, zelfs het Belgisch Loodswezen in Vlissingen. Maar om je in nostalgie te wentelen, blijft de sociëteit een geweldige locatie. Het aspergemenu is matig wat het aantal asperges betreft, maar goed van smaak. En het Belgisch bier smaakt best. Terwijl de containerschepen voor je neus af en aanvaren. Ik hou van Vlissingen.

De tranen van de voorzanger
woensdag 4 mei 2011

Herdenken is voor mij een nieuwe bezigheid.
Mijn vader gaf niet om herdenken, en aangezien hij een kamp had overleefd,had ik niet het gevoel dat ik er het recht toe had.
Pas sinds ik de familiegeschiedenis ben ingedoken, ga ik op vier mei naar de Hollandse Schouwburg, de plek waarvandaan de meeste Hollandse joden gedeporteerd werden.

Vorig jaar was ik in BergenBelsen, waar de bevrijding van vijfenzestig jaar geleden herdacht werd. Ik  schreef naar aanleiding van deze gebeurtenis  de volgende tekst:

Op achttien april 2010 sta ik te midden van een grote groep mensen rondom een kleine obelisk op een uitgestrekte vlakte. Her en der rijzen  grafheuvels op, waarin de duizenden doden, voor wie de bevrijding van Bergen-Belsen door Britse en Canadese militairen te laat kwam. Bij de  obelisk stapt een man naar de microfoon. Hij draagt een lange zwarte jas, ondanks de warmte van de eerste echte lentedag. Op zijn  hoofd heeft hij  een zwarte hoed met een brede rand, een volle grijze baard bedekt zijn mond en kin. Hij posteert zich voor de microfoon,  concentreert zich en  begint te zingen. Een klagelijk lied, in het Hebreeuws, luid gezongen, met een diepe warme stem, vol emotie. De menigte rondom de obelisk zwijgt,  luistert en in vele ogen blinkt een traan. Ook de zanger raakt geëmotioneerd. Zijn krachtige stem hapert af en toe, soms komt een schorre klank uit zijn keel, hij veegt een keer in zijn ogen en dan lijkt het hek van de dam:  tranen stromen over zijn wangen, er is geen houden meer aan. Hij huilt intens, maar zingt door. Soms verandert een toon in een snik en zijn stem wordt zwakker, het lijkt of hij zijn taak als voorzanger niet langer kan volbrengen. Dan loopt een grote man op hem af, stelt zich vlak achter de voorzanger op en pakt met beide handen zijn schouders vast. Zo blijft hij staan, en geeft daarmee de voorzanger de kracht ondanks zijn emotie door te gaan. Terwijl de tranen blijven stromen resoneert zijn klaagzang luider dan daarvoor over het desolate terrein, over het schuldig landschap. We huilen allemaal mee, indachtig alles wat hier heeft plaatsgevonden en dat tot op de dag van vandaag het leven van de nabestaanden, van hen die overleefden en van hun kinderen, zo intensief beïnvloed heeft. Ik realiseer ik me dat dit voor het eerst is dat ik echt kan rouwen.

Rouw is verdriet kunnen toelaten en daar uiting aan kunnen geven. Dat is mogelijk wanneer je gesteund wordt door de mensen om je heen, waardoor het veilig genoeg is de pijn te voelen en te uiten. Het beeld van de voorzanger, die zijn klaagzang de lucht in slingert, met een stem vol emotie en een hart vol droefheid en zowel fysiek gesteund door de sterke handen van de man achter hem, als door de aanwezigheid van de mensen om hem heen, is voor mij de verbeelding van de rouw. Alleen in verbondenheid met elkaar, en gedragen door vele schouders, kan het verdriet over alle vermoorde levens een plek krijgen in onze samenleving. Onze ouders hebben het aan den lijve ondervonden en hun taak was het, het leven weer op te pakken en vooruit te kijken. Ik denk dat het aan ons, de kinderen en kleinkinderen is, het verlies in de ogen te kijken en het verdriet daarover een plek te geven in onze levens, in onze samenleving. Want wat er mag zijn, verliest zijn hardheid, zijn rauwheid, zijn vasthoudendheid. Dan komt er ruimte voor zachtheid,  verbondenheid en voor een diep gevoelde wens, er met elkaar zorg voor te dragen dat de wereld een betere wereld wordt waarin uitsluiting en moord niet langer geaccepteerd worden. Waarin het niet meer gebeuren kan dat mensen buitengesloten of vermoord worden omdat ze zondebok zijn, omdat ze ontmenselijkt werden.

Wij hebben elkaar nodig om ons verantwoordelijk te kunnen voelen. Net zoals de voorzanger de man achter hem nodig had om zijn verdriet te kunnen uiten en met ons te kunnen delen, zo moeten wij op elkaar kunnen rekenen. Dan zouden we afwisselend degene kunnen zijn die de voorzanger steunt, volledig en zonder voorbehoud aanwezig en betrokken, om op een ander moment de rol van de voorzanger op ons nemen, die het verdriet onder ogen kan zien en er uiting aan kan geven, zodat het niet langer gevangen blijft in de duisternis, maar de wereld in kan gaan en weerklank vindt in de ziel van alle andere mensen. Pas als we daar met elkaar in slagen, komt er misschien ooit een dag, dat we uit het diepst van ons hart met elkaar kunnen zeggen: Nooit meer.

 

 

 

Slapende mannen
maandag 18 april 2011

Culturele evenementen lijken het perfecte slaapmiddel voor mannen.
Vorige week bezocht ik een inleiding, voorafgaande aan een opera in de Stadschouwburg van Amsterdam. De dame die de inleiding verzorgde was enthousiast, energiek en gaf een gloedvolle en informatieve presentatie. Toch duurde het nog geen tien minuten voordat het merendeel van de aanwezige mannen in diepe slaap verzonken was. De inleidster liet zich er overigens niet door van de wijs brengen, en bleef met eenzelfde gedrevenheid haar inspirerende verhaal over het voetlicht brengen. De meeste vrouwen leken zich niet te storen aan hun slapende echtgenoten. Iets wat ik dan weer niet herken.

Ik heb ook een lief houdt die geregeld de ogen sluit op het moment dat hij aanwezig is bij een cultureel evenement. Dat is de belangrijkste reden dat  ik hem een tijdlang verboden heb samen met mij premières van bevriende regisseurs te bezoeken. Zijn slaapzucht zegt niets over de kwaliteit van  het gebodene, behalve dat het wellicht weinig appel doet op de testosteron. Want bij een voetbalwedstrijd zie ik nooit een vent slapen, terwijl de  wedstrijden toch vaak weinig opwindende aangelegenheden zijn.

Omdat ik tegenwoordig het land doortrek met een theatrale voorlezing van mijn boek, ben ik enigszins bezorgd over dit fenomeen. Het is toch weinig  enthousiasmerend om je verhaal te doen voor een zaal slapende kerels. Dat het nog niet zover gekomen is, ligt misschien aan het feit dat het vooral  vrouwen zijn, die een boekpresentatie bezoeken. Boeken worden trouwens ook vooral door vrouwen gelezen, zegt men. Gister speelde in in de  bibliotheek van Den Helder, voor vijfendertig vrouwen en twee mannen. De ene  man was de partner van de organisatrice, die zich in de pauze snel moest vergewissen van de stand van Ajax-NAC. De andere man zag ik inderdaad na niet te lange tijd de ogen sluiten.

Gelukkig maak ik in mijn presentatie gebruik van een drumbekken, waarop ik aangeef wanneer de ene scène is afgelopen en de volgende begint. Een probaat middel, dat de potentiële slaper doet wakker schrikken, voordat hij een diepe REMslaap bereikt. Toen de regisseur en ik dit hulpmiddel introduceerde, had ik niet aan dit gunstige bijeffect, maar het is mooi meegenomen. Na de derde scène schrok de man op uit zijn tukje en keek vervolgens met open ogen en veel interesse naar de rest van de voorstelling.

Toch overweeg ik een toevoeging aan mijn inleiding. Ik ben benieuwd wat er gebeurt als ik aan het eind daarvan zeg dat mannen die de neiging voelen in slaap te vallen, zich daar gerust aan mogen overgeven. Ik denk namelijk dat het taboe op slapen, een tukje doen tijdens de presentatie extra onweerstaanbaar maakt.

En bovendien is daar mijn geheime wapen: het bekken. Aan de REMslaap zullen ze bij mij niet toekomen!

Gidsland Bhutan tegen het graaivirus?
zondag 27 maart 2011

Het morele verval in Nederland grijpt om zich heen. Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat ons land zo diep onder de zeespiegel ligt? Is het toeval dat alles in Nederland altijd om het Bruto Nationaal Product lijkt te draaien? Terwijl in Bhutan, een van de hoogst gelegen landen ter wereld, vooral het Bruto Nationaal Geluksniveau als belangrijkste wordt beschouwd?

De graaicultuur in Nederland wordt zo langzamerhand misselijkmakend. Nadat duidelijk is geworden hoe het virus heeft toegeslagen bij de ING top,  stond gister in het NRC een ontluisterend interview met een voormalige politiechef, nu kamerlid van D66. Magda Berndsen vind zelf dat er niets mis  is met het feit dat ze in de drie en een half jaar dat ze politiechef in Friesland was, meer dan een ton te veel verdiende. Dit bedrag bestond uit een  salaris van negentigduizend euro, aangevuld met een eindejaarsuitkering, vakantiegeld, een algemene levenslooptoelage, een  representatievergoeding, een piketvergoeding en een meer uren-toeslag. Daarmee kwam ze uit op een bedrag van meer dan honderdwintigduizend  euro. Dat lijkt me toch niet slecht verdient, voor een baan met ja, het dragen van een grote verantwoordelijkheid en het maken van veel uren. Maar  mevrouw Berendsen heeft bij haar sollicitatie uitonderhandeld dat ze daar bovenop nog een persoonlijke toelage, een huurvergoeding en een  compensatie voor de belasting op de huurvergoeding (!) krijgt. Daarmee komt ze op een totaalbedrag van 154.337 euro per jaar.

De Rijksauditdienst, die belast is met de accountantscontrole binnen de overheid, concludeert dat de persoonlijke toelage, de huurvergoeding en de belastingcompensatie die zij ontving in strijd zijn met de landelijke regels. En wat zegt Mevrouw Berendsen op de vraag of zij de conclusies van deze dienst bestrijd? ‘Ze hebben natuurlijk wel gelijk dat het in strijd is met de regels, maar dat is een droge constatering. Ik voel me daar niet verantwoordelijk voor. De consequenties ga ik dus niet op me nemen.’

Kijk, met zo’n politiecommissaris  komen we echt verder. Dit geeft geheel nieuwe mogelijkheden in de rechtszaal. Ontkennen hoeft niet meer. Het volstaat in het vervolg de voormalige  politiecommissaris, tegenwoordig kamerlid te citeren.
‘Edelachbare, inderdaad, meneer X heeft het hoofd van zijn buurman met een bijl ingeslagen en dat  is natuurlijk in strijd met de regels. Maar dat is een droge constatering. Mijn client voelt zich daar niet verantwoordelijk voor. De verantwoordelijkheid lag namelijk bij de buurman, die dit nu niet meer na kan vertellen. Dus mijn client gaat de consequenties voor zijn gedrag echt niet op zich nemen. In tegendeel. In plaats daarvan wordt hij volksvertegenwoordiger. Nee, niet eens voor de PVV. Alexander Pechthold vind het geen enkel probleem!’

En dat in een tijd waarin de hele kunstsector de nek wordt omgedraaid, er gekort wordt op de gezondheidszorg en het onderwijs en kunstenaars, leerkrachten, verpleegkundigen, mantelzorgers niet meer weten hoe ze in deze afgeknepen, onsolidaire en kille samenleving hun werk op een verantwoorde wijze kunnen blijven doen.

Ons land is niet alleen in de greep van vreemdelingenhaat en een irreële angstpsychose tegen alles wat ‘anders’ is. Het morele verval van hen, die ooit de notabelen van de samenleving werden genoemd, neemt alarmerende vormen aan. We zijn dringend toe aan een gidsland, die ons kan leren waar het werkelijk om gaat in het leven.
Ik stel een studiereis voor naar het gidsland  Bhutan. Het enige probleem is dat dit land zeer zuinig is met het toelaten van toeristen, bang als ze zijn dat de samenleving geïnfecteerd zal worden door het graaivirus, dat zo verschrikkelijk besmettelijk is.

 

De kleindochter van de koffiekoning in Cappuccino
vrijdag 25 maart 2011

De kleindochter van de koffiekoning van Nederland is zaterdag 26 maart te horen in het programma met het lekkerste kopje koffie van Nederland. Dus morgenochtend op naar Hilversum, om in het mediacafé te vertellen hoe het nou echt zit, met dat ‘Verplicht gelukkig’ zijn.
Onderstaande tekst staat geschreven op de site van Cappuccino:

‘Al ben je zelf van de Woodstock-generatie, dan nog kun je flink last hebben van de Holocaust. Saskia Goldschmidt groeide op met een hele lijst van zinnen en woorden die niet uitgesproken mochten worden, omdat papa dan herinnerd werd aan zijn kampverleden. Zij ploos de verzwegen familieverhalen uit en schreef er een prachtig boek over: “Verplicht gelukkig”.’

De koffiekoning zelf was gewend om wanneer hij een leverancier had gevonden in een nieuwe stad, koffie te laten maken met het plaatselijke water. Want ieder water geeft een andere smaak aan de koffie. Ik ben benieuwd hoe de koffie morgen zal smaken,

Verplicht Gelukkig in de etalage 2
donderdag 24 maart 2011

Etalage Veenstra Amsterdam 1

Terwijl de lente haar intrede doet verovert Verplicht gelukkig de boekenwinkel. Zachtjes, niet schreeuwend, maar vastberaden, stap voor stap. Het  boek duikt steeds vaker op, naast de kassa, op de boekenweeektafel, in een stapeltje of als enig exemplaar.

Het blijft een miraculeus gevoel. Die tekst, ontstaan uit vier jaar onderzoek, waarin talloze paperassen werden doorgewerkt en achieven bezocht.  Waarin ik veel mensen sprak, afwegend welke vragen wel en welke niet gesteld konden worden. Jaren waarin ik vooral schreef, herschreef en nog  eens en nog eens herschreef. En als resultaat van die eenzame (en zeer bevredigende) activiteit ligt nu te koop als mooi vorm gegeven boek, door  het hele land. Het blijft voelen als een klein wonder!

Verplicht gelukkig in de etalage bij Veenstra

Vandaag de etalage van Veenstra, Utrechtstestraat, in Amsterdam. Niet ver van de plek waar de koffiekoning zijn imperium leidde!
Foto: Foto Hes van Huizen

Boekenbal
donderdag 17 maart 2011

Als debutant op het boekenbal. Volgestopt met paractamol, want in de greep van een heftige griep, wilde ik me deze bijzondere gelegenheid niet door de neus laten boren. Dus stond ik daar tussen alle bekende gezichten in de rij, om over de rode loper de stadsschouwburg, deze ene dag per jaar omgetoverd tot schrijversburcht, te betreden. Ik werd niet zoals Claudia de Breij,vlak voor me, uit de rij geplukt om een tvploeg te woord te staan. Maar mijn baltasje was wel degelijk een eye-catcher.

Klaar om te gaan, met tasje. Manlief moet thuisblijven....

 

Ik was dankzij Laura Dols gehuld in een ware gala-jurk met een bijbehorend tasje. Het lijkt wel een boek, had Laura nog uitgeroepen. Waarna mijn broer Miquel, de stylist van de familie, de suggestie had gedaan een print van het boek op de voorkant van het tasje te bevesigen. Na een bezoekje aan de copieer-winkel met een lapje katoen en een plaksessie met tweezijdig tape, was mijn tasje veranderd in een ware merchandising voor Verplicht Gelukkig. En ja, dat werd opgemerkt en gefotografeerd. Ik heb het nog niet terug gezien, maar dat kan aan mij liggen.

Ja, hoe was het, het boekenbal? De meest gestelde vraag van de woensdagmorgen, na een langzaam ontwaken uit een toch wel zeer diepe slaap die enigszins de vorm van een coma had aangenomen. Het was leuk om erbij te zijn. Bij het zaalprogramma, waarbij Esther Gerritsen en Erik van der Kwast mooie columns voorlazen en Jörgen Raymann fijntjes opmerkte dat het Boekenbal nog altijd een wit feestje is, een linkse hobby wellicht.

En verder is het Boekenbal vooral flaneren. Zoals men overal ter wereld in dorpen en steden op de zondagmiddag in de mooie kleren de boulevard heen en weer loopt, om te zien en gezien te worden, zo flaneert het schrijversdorp de trappen en de gangen van de schouwburg op en af. Hier en daar een praatje, een drankje, een dansje, en om twaalf uur wordt het decor aan gort gegraaid. Het was leuk om mee te mogen flaneren in het schrijversdorp.

En het had een geneeskrachtige werking. Na mijn coma de volgende morgen was de griep verdwenen. Mijn leven als schrijfster kan beginnen. Vanavond met een optreden in Baarn!

VERPLICHT GELUKKIG IN DE ETALAGE
zondag 13 maart 2011

Verplicht gelukkig verschijnt in het straatbeeld.

Hierbij nodig ik al mijn lezers uit zich te voegen bij het leger Verplicht-gelukkig-spionnen, die rapporteren hoe het boek de etalage en de boekentafel of het plankje bij de kassa verovert. Wie me verslag doet en het liefst een bewijs in de vorm van een foto meestuurt, wordt gepost op de home-page van mijn website, inclusief de vermelding van de boekenwinkel en de plaats waar deze gevestigd is. Vandaag de eerste. Aangeleverd door Henk van Faassen, die een mooi verslag gaf:

Xantippe Unlimited, Prinsengracht bij de Elandsgracht te Amsterdam.

Een plezierig zonnetje scheen in de winkelruit.
In opdracht van de schrijfster fotografeerde ik de uitstalling in de etalage.
De boekenwinkelierster tikte mij op mijn schouder.
Ze wilde weten wat ik daar deed.

Ze nam mij mee naar binnen om te laten zien dat ze een apart tafeltje had gemaakt met familieverhalen zoals die in het blad V beschreven werden.
Uit haar tas haalde ze een exemplaar van VG. Ze beval me het boek met lovende woorden aan.

Een potentiële hype!
donderdag 10 maart 2011

De voortekenen zijn goed! Mijn debuut, dat slechts een week geleden het daglicht zag, wordt gister reeds in de Volkskrant genoemd in een artikel van Marjon Bolwijn over boekenhypes.

Hoewel de boekpresentatie een groot succes was, zou ik toch nog niet van een hype willen spreken. Mijn vriendenkring is inmiddels veranderd in een leger Verplicht-Gelukkig- spionnen, die me voortdurend de laatste stand van zaken doorgeven over de mate, waarin mijn geesteskind al dan niet de boekenwinkels veroverd. De meeste up-dates over de stand van zaken komen nu nog uit het dorp Amsterdam. Het Martyrium was absoluut de eerste boekhandel die het boek in een grote stapel naast de kassa had staan. Ook Hoogstins in de Kinkerstraat heeft groot uitgepakt, terwijl het boek bij Atheneum reeds het ‘boek van de nacht’ mocht zijn…

En gister was ik even een potentiële hype.

De omslag van ‘Verplicht gelukkig’ prijkte in de Volkskrant. Als zesde boek in een rijtje van succesverhalen, op schrift gestelde, persoonlijke familiegeschiedenissen. Daar stond mijn boorling, naast Het zwijgen van Maria Zachea, Sonny Boy, Het Pauperparadijs, en Vrouw in de Schaduw. Je zou er verlegen van worden. Achter iedere titel een duizelingwekkend aantal verkochte exemplaren. Verplicht gelukkig had als enige geen cijfer achter de titel, maar wel ervoor dat ene veelbelovende predikaat: NIEUW.

In het artikel over het hoe en waarom van boekenhypes, een stukje van Eva Cossee:

‘Hoe vaak wordt een romanschrijver niet gevraagd of hij zelf heeft meegemaakt wat hij schrijft? Lezers vinden dat belangrijk. We krijgen veel ongevraagde manuscripten binnen over familiegeschiedenissen. Zelden zeggen we ‘ja’. Het manuscript van Saskia Goldschmidt begon ik met scepsis te lezen: weer een familieverhaal met als decor de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Maar die scepsis verdween al lezende snel. Haar boek is goed geschreven, spannend en boeiend omdat zij veel interessants te weten is gekomen over haar familie en de jodenvervolging. Verplicht gelukkig heeft iets universeels; de schrijfster maakt duidelijk wat voor impact het heeft als de ouders de emoties van hun kinderen wegredeneren door een vergelijking te maken met gruwelijkheden uit het verleden of het heden. Dat is van alle tijden en dus herkenbaar voor velen.’

Het schrijven van dit boek was een vier jaar durend feest. Zelden heb ik iets gedaan wat mij meer vreugde heeft geschonken. Dus geslaagd is het boek al. Maar als er nu heel veel mensen zijn die het gaan kopen en lezen, dan mag ik nog eens! Een eerste idee voor een volgend boek is al in me aan het rijpen.

Maar eerst moet Verplicht Gelukkig de grote wereld in. Niet alleen om geld te maken. Vooral om veel mensen te ontroeren en te raken. Dat is waar ik op hoop.

 

Lancering Verplicht gelukkig een mega succes!
vrijdag 4 maart 2011

De honderdtwintig exemplaren die de Nieuwe Boekhandel gister in voorraad had, waren in no time uitverkocht.
Dit na een prachtige toespraak van Christoph Buchwald, uitgever van Uitgeverij Cossee. Daarna bood ik de eerste twee exemplaren van VERPLICHT GELUKKIG aan mijn twee kinderen aan. Dat gebaar werd gevolgd door twee zeldzaam ontroerende, confronterende en geestige toespraken. Ze peperden me beiden in dat ook ik een bijendans heb opgevoerd. Wat dat betekent ga ik hier niet uitleggen, lees mijn boek maar!
Het koste moeite voor deze geëmotioneerde moeder, om daarna nog een gedeelte te doen uit de presentatie die ik heb samengesteld uit een aantal boekfragmenten, opdat ik door boekenwinkels, bibliotheken en theaters in huis kan worden gehaald en niet alleen voorlees, maar ook voorspeel hoe de spraakmaker mijn jeugd beïnvloed heeft en een impressie geef van de geschiedenis waar ik uit voorkom.

Daarna barstte de verkoop los en mocht ik spelen dat ik een echte schrijfster was, die urenlang signeerde. Wat een feest! Vanmorgen mailde mijn zoon me de ultieme reclametekst: VERPLICHT GELUKKIG IS VERPLICHTE KOST! Dat je het maar weet.

Het zit in de familie!
vrijdag 18 februari 2011

Mijn debuut als optredend schrijfster, een week voor het verschijnen van VERPLICHT GELUKKIG!

Mocht je nieuwsgierig zijn, dan is dit de kans op een eerste voorproefje:

Literanita #7: Het zit in de familie

Op donderdag 24 februari a.s. is het tijd voor de zevende editie van Literanita: de tweemaandelijkse avond met schrijvers en lezers, fictie en non-fictie, bier en wijn. Deze avond lezen Saskia Goldschmidt, Ellen Heijmerikx, Teuntje Klinkenberg, Wim de Jong en Lieke Marsman voor over (hun) familie. We gaan van strenge geloofsgemeenschappen naar de zoektocht naar een zwijgende Joodse vader en van kleine broertjes naar pikante ontboezemingen van meneer en mevrouw De Jong. Kom ook! En neem uw familie mee.

U bent van harte welkom op donderdag 24 februari 2011. 
De deuren gaan open om 20.00 uur. Aanvang 20.45 uur, geen toegang tijdens de optredens. Entree: 2 euro. Adres: Nieuwe Anita, Frederik Hendrikstraat 111, Amsterdam.

Over de optredende auteurs:

Saskia Goldschmidt was theaterdocent en producent voor verschillende jeugdtheatergezelschappen. Op 3 maart a.s. debuteert zij met Verplicht gelukkig, portret van een familie, bij uitgeverij Cossee. In het boek probeert ze de niet vertelde verhalen van haar zwijgende vader en zijn Joodse familie te achterhalen. Speurend in archieven en oude brieven leert zij haar voorvaderen kennen.

In Blinde wereld schetst Ellen Heijmerikx de jeugd van hoofdpersoon Kieke bij de Noorse Broeders, een geloofsgemeenschap waarin vrouwen volledig dienstbaar moeten zijn aan hun man, kinderen getuchtigd worden en iedereen die niet tot de broederschap behoort blind en verdoemd is. Heijmerikx won met deze roman de Academica Debutantenprijs 2010. Momenteel werkt ze aan haar tweede roman, waarin een normaal gezin in de ban komt van een sekte en de dochter uit dat gezin er alles aan doet om het goed te doen, tegen elke prijs.

Teuntje Klinkenberg volgde de regieopleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten in Amsterdam. Ze regisseerde talloze toneelstukken. In 2008 schreef ze De methode Coué, een familiegeschiedenis. Het is het bijzondere verhaal van drie generaties moeders en dochters. Teuntje Klinkenberg probeert in De methode Coué tot de kern van haar familie door te dringen, legt dwarsverbanden en vraagt zich af of je patronen kunt doorbreken. Met haar eigen man en dochter probeert ze het in ieder geval anders te doen.

Wim de Jong is journalist, publicist, huisvader en huisman. Hij is bekend als mannenfluisteraar en is columnist van Volkskrant Magazine. Daarin schrijft hij over zijn bestaan als moderne midlife man en over het familieleven van meneer en mevrouw De Jong. In 2009 verscheen van Wim de Jong Met de Mannen! een boek met uitstapjes voor vaders en zonen. In 2010 publiceerde hij het Handboek voor de moderne man, een onmisbare gereedschapskist boordevol praktische, eigentijdse tips, onderzoeksfeiten en persoonlijke ontboezemingen over het leven als kerel in de 21e eeuw.

Lieke Marsman, geen familie van, studeert filosofie in Amsterdam en was redacteur van het tijdschrift Met Andere Zinnen. Ze debuteerde als dichter in Tirade. Haar debuutbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud verscheen eind 2010. ‘Overduidelijk een groot talent’, aldus Erik Lindner in De Groene Amsterdammer.

Geplaatst door Freek op donderdag 17 februari 2011.

 

VERPLICHT GELUKKIG vanaf 3 maart te koop!
dinsdag 15 februari 2011

Het is zover. VERPLICHT GELUKKIG, portret van een familie, ligt vanaf 3 maart in de boekenwinkel.

Hierbij de tekst van de achterflap:

Je hebt praters en je hebt zwijgers. Maar je hebt ook vaders die noch het een, noch het ander zijn. Paul Goldschmidt, een bekende logopedist, is een meester in het leggen van contacten met kinderen die niet kunnen praten. met hen hoeft hij het nooit te hebben over de oorlogsjaren, die altijd aanwezig zijn in het Amsterdamse huis waarin deze eigenzinnige, creatieve en ijdele man met zijn gezin leeft. Een held voor zijn patiënten, maar onbereikbaar en afwezig voor zijn vier kinderen die ‘nooit iets hebben meegemaakt en daarom gelukkig moeten zijn’.

In VERPLICHT GELUKKIG probeert Saskia Goldschmidt de niet vertelde verhalen van haar zwijgende vader en zijn Joodse familie te achterhalen. en ze zoekt naar een antwoord op de vraag waar het allesoverheersende gevoel van schaamte bij haar vandaan komt. Speurend in de archieven en oude brieven leert de dochter haar voorvaderen kennen. De paardenkoopman uit Pruisen, de azijndokter die naar Amsterdam emigreerde en de koffiekoning die zich zijn grote liefde niet liet afpakken. Stukje bij beetje komt ze erachter hoe zijn oorlogservaringen haar gevormd hebben. De ontdekkingen die ze doet en die ze niet meer met hem kan delen vormen de aanleiding tot dit verontrustende en verrassende familieverhaal.

Hopelijk inspireert dit een ieder. Het boek ligt in de winkel, en ik kom graag in boekenwinkels en in bibliotheken VERPLICHT GELUKKIG de voorstelling spelen.

Met signeren na!

 

Een barbaars regime en het individu
dinsdag 1 februari 2011

Geachte minister,

Barbaarse regimes, meneer Rosenthal, hebben altijd bestaan en zullen altijd blijven bestaan, ook nu u minister van Buitenlandse Zaken bent. Tot zover het slechte nieuws.
Maar of barbaarse regimes hun gruwelijke plannen kunnen realiseren, heeft soms te maken met de opstelling van een individu.

Een minister van Buitenlandse Zaken heeft in principe macht en invloed. Natuurlijk, beperkte macht, maar wanneer hij dat wil, kan hij die macht gebruiken. Het heeft er alle schijn van dat u bedroevend weinig ondernomen hebt om de dood van onze landgenoot in Iran te voorkomen. Misschien om de grote broer Amerika niet voor het gevoelige hoofd te stoten. Die wil namelijk geen gesprekken met barbaarse regimes die ze niet zelf uitkiezen. Daarom durfde u die ‘jerrycan benzine’ niet te leveren.
Ook stuurde u uw minderen naar een bespreking met vertegenwoordigers uit dat barbaarse land, waarmee u de boodschap gaf dat het mensenleven van een Nederlands staatsburger niet al te hoge prioriteit had.

U was pas bereid een advocaat te betalen, op het moment dat de strop al half om de nek van het slachtoffer was geknoopt. Want de Nederlandse handelsgeest wint het van het verlangen een mensenleven te redden. Dat gaat meestal mis, weet een ieder die zich in de vaderlandse geschiedenis heeft verdiept.

Mario Varghas Llosa heeft gezegd: ‘het enige wat het kwaad nodig heeft om te triomferen, is dat men niets doet.’ Ook dat is door de geschiedenis al vele malen bewezen.

U kunt heel hard blijven roepen hoe barbaars het Iraanse regime is. Zij hebben Zahra Bahrami vermoord. De vraag blijft minister, heeft u genoeg gedaan om te proberen haar te redden?

Wanneer een land geleid wordt door staatslieden, die hun verantwoordelijkheid niet nemen op het moment dat het er toe doet, loert de barbaarsheid altijd om de hoek.

La vie c’est drôle
zaterdag 22 januari 2011

De nieuwe voorstelling van Theatergroep DOX is een freakshow! Ik beleefde een uur waaraan wat mij betreft geen einde had hoeven komen. Een uur waarin voortdurend tranen in mijn ogen stonden, het ene moment van diepe ontroering, dan weer van het lachen.

De acteurs en dansers presenteren met humor een aantal klassieke variéténummers; het doorgezaagde weesmeisje en de grote verdwijntruc, de vrouw met de hoepel, de poppenshow en de spreekstalmeester, ze worden allemaal vakkundig gepersifleerd. In soepele overgangen worden de variéténummers afgewisseld met  hartverscheurende en dikwijls gedanste scènes. In ieder fragment verbeelden de spelers de scherpe kantjes van het bestaan als dwerg, albino, zwarte, Marokkaan, te gevulde of te magere vrouw, als homo of part-time travestiet. Zonder zichzelf of elkaar te sparen, maar ook met grote humor en vol subtiliteit. Nooit larmoyant, altijd waarachtig, met een oprechtheid waar ik koud van werd.

La vie c’est drôle gaat over het gevoel dat je er niet bij hoort, dat er over je geroddeld wordt, dat je anders bent, over het gevoel dat je geen bestaansrecht hebt of dat anderen je dat willen ontzeggen.
Marjan Barlage, regisseuse, en Sassan Saghar Yaghmai, choreograaf en Merel van Gaalen, die de mime onder haar hoede nam,  zijn er met hun groep talentvolle mensen in geslaagd een theatraal verrukkelijke voorstelling neer te zetten, mooi vormgegeven, diepzinnig, geestig, ontroerend en betekenisvol.

La vie c’est drôle is diepgravend varieté dat een ding duidelijk maakt: in ieder mens schuilt een freak en in iedere freak een mens. De voorstelling daagt je uit op zoek te gaan naar de freak in jezelf, voor het geval je die nog niet gevonden had. Komt dat zien!

VERPLICHT GELUKKIG, portret van een familie
vrijdag 14 januari 2011

De vooraankondiging van mijn boek zoals die naar de boekenwinkels is gegaan:

Anders
dinsdag 4 januari 2011

Gistermorgen was het zover.
Twintig jaar lang begon onze dag met De Volkskrant. Je raakt gewend en gehecht aan formaat, indeling, lettertype en rubrieken van de krant. Daarnaast hadden we een abonnement op het NRC. Maar uit financiële overwegingen hebben we beiden abonnementen opgezet en zo viel gistermorgen voor het eerst NRC-next op de mat.

Het viel niet mee. Een blad met veel beeld, foto’s en kleine columns, en quotes. Het eerste serieuze buitenlandnieuws pas op pagina zes. Mijn lief zat al te lezen toen ik beneden kwam. Hij trok een wenkbrauw op en zei met sombere stem: ‘anders.’ Sinds we ooit met het hele gezin een huisje op La Gomera huurden dat gelegen bleek te zijn in een bestendig wolkendek, is ‘anders’ bij ons synoniem voor een negatief uitgevallen keuze.

Ik was nog vol goede hoop en ging met het rituele bakje muesli, mijn vers geperste sinaasappelsapje en de cappuccino tegenover mijn lief zitten. Zoals altijd stak ik zonder op te kijken mijn hand uit, waarop hij gewoontegetrouw het binnengedeelte van de krant vastpakte om die aan mij te overhandigen. De beweging haperde. De bladen van de tabloid bleken met nietjes vast te zitten. Mijn lief pakte de krant vast en keek of er een tweede katern te overhandigen was. Tevergeefs. NRC-next bestaat uit één vastgeniet katern.
We keken elkaar aan. ‘Anders,’ spraken we als uit een mond.

Daarop pakte ik de laatste krant  van het oudejaar, die ik nog niet helemaal uit had.
Vanmorgen was de krantenjongen vergeten hoe het zat en lag als vanouds De Volkskrant in de bus.
We moeten eigenlijk bellen om de vergissing te melden. Maar het was fijn om nog even in het oude stramien door te kunnen. Alsof de bezuinigingen in huize Goldschmidt, net als de BTW op de podiumkunsten, nog even zijn uitgesteld.

Hoe de tomtom mijn huwelijk redde
zondag 26 december 2010

Vrijdag 24 december 2010 was de bijlage ‘opinie en debat’, gevuld met lezersbijdragen. Men was gevraagd een stukje te schrijven over het thema: De omwenteling die mijn leven veranderde.
Ik stuurde de tekst in, die werd geplaatst. Voor hen die het NRC niet lezen, volgt hier het verhaal:

Mijn man is behept met een groot aantal onvolprezen eigenschappen. Hij is mijn liefdevolle kok, een goede minnaar, een goede klusjesman en een toegewijde vader van de inmiddels volwassen kinderschaar. Toch zijn er momenten geweest in ons inmiddels dertigjarig samenzijn, dat onze verbintenis danig onder druk heeft gestaan. De grootste crisissen in onze relatie deden zich voor op de snelweg. Mijn man rijdt namelijk niet. Nu is dat een stressverminderende factor, want hoeveel talenten hij ook bezit, autorijden hoort daar niet bij. En ik rijd graag en goed, zowel kleine ritjes als de lange afstanden door Europa.

De consequentie daarvan was dat hij als bijrijder de kaart moest lezen. Mijn held behoort helaas niet tot het type mens die zich, voor we ons in het spitsuur op de Périphérique van Parijs begeven, verdiept in de te volgen route. Pas wanneer een verkeersknooppunt opdoemt en ik paniekerig om aanwijzingen begin te roepen, grijpt hij de kaart en begint naarstig te zoeken naar de mogelijke positie van ons vehikel. En hoe ongeduldiger ik hem een uitspraak tracht te ontfutselen over de route, des te groter zijn twijfel. Traag formulerend geeft hij aan dat hij de beoogde positie nog niet gevonden heeft.

Zo hebben we tijdens onze reizen talloze afslagen gemist, kilometers omgereden en ons regelmatig in het holst van de nacht teruggevonden in desolate gebieden of op unheimische industrieterreinen. In welke situatie we ook terecht kwamen, mijn man trad die altijd met grote blijmoedigheid tegemoet, terwijl ik als controlfreak meestal buiten zinnen van woede was en de ontspannen vakantietrip in snel tempo grimmige trekjes kreeg. Onze kinderen hebben zich dan ook op vroege leeftijd de kunst van het kaartlezen eigen gemaakt, opdat hun vader op de achterbank relaxed een krantje kon lezen en zich met veel enthousiasme aan het fourageren kon wijden.

Tegen de tijd dat de kinderen hun eigen weg gingen en het probleem van het kaartlezen weer akelig actueel dreigde te worden, kwam de Tomtom op de markt.Wat een timing, wat een vreugde! Een rustige mannen-of vrouwenstem naar keuze, die me ruim voor de afslag waarschuwt voor wat komen gaat en dat vriendelijk herhaalt, met zekere stem, op het moment dat de afslag daar is. Weg stress op de snelweg!

En zelfs op de zeldzame momenten dat de Tomtom zich vergist, en we, zojuist vertrokken uit Berlijn, ons in plaats van op de snelweg naar Magdenburg op de route naar Leipzig bevinden, concluderen we nu in grote eensgezindheid dat de Tomtom even de weg kwijt is, omdat we hebben nagelaten de laatste kaart te updaten. Vriendelijk glimlachend laat ik me door de Tomtom terugleiden naar de juiste route, immer geraden aus, terwijl mijn lief een broodje mozzarella met een vleugje pesto-saus voor me klaarmaakt.

De Tomtom is de redder van mijn huwelijk. Dankzij deze revolutionaire uitvinding zullen we de komende jaren per auto heel Europa bestormen. In volle harmonie. En met veel heerlijke versnaperingen onderweg.

Trainingsactrice biedt zich aan!
zaterdag 4 december 2010

Ik lig op de behandeltafel in de polikliniek van het Lucas-Andreas-ziekenhuis.
Terwijl de plastisch chirurg mij een verdovingsprik geeft, om daarna het wratje op mijn oorschelp weg te halen, vraagt hij naar mijn beroep. Ik vertel hem dat ik schrijf en daarnaast werkzaam ben als trainingsactrice. Ik werk veel voor het AMC, en ben in die hoedanigheid levend oefenmateriaal voor specialisten die hun communicatieve vaardigheden willen of moeten vergroten.

De motivatie tot het volgen van deze trainingen is vaak afhankelijk van het specialisme van de arts. Kinderartsen zijn over het algemeen uitzonderlijk communicatief, chirurgen en orthopeden lijken communicatieve vaardigheden in het gunstigste geval een noodzakelijk kwaad te vinden. Terwijl de arts in mijn oor snijdt, vraagt hij of ik tevreden ben over zijn wijze van communiceren tot nu toe. Ik kan daarop bevestigend antwoorden. Terwijl het wondje wordt dichtgenaaid, grappen arts en assistente over de in hun ogen onzinnigheid van communicatietrainingen en uitten ze hun vreugde over het feit dat ze in dit ziekenhuis niet aan die tijdverspilling doen.

Als ik van de behandeltafel opsta, grijpt de arts, zonder me nog een blik waardig te keuren, zijn mobiele telefoon. Hij begint een gesprek en begeeft zich naar de deur van de kamer. Daar draait hij zich om en roept over zijn schouder, ‘dag mevrouw!’
‘Een hand geven,’ roep ik hem na, ‘wordt ook beschouwd als fatsoenlijk communicatief gedrag.’ De arts hoort het al niet meer.
Zijn assistente kijkt me aan. ‘Daar heeft u gelijk in,’ zegt ze, ‘maar ter verontschuldiging zou ik willen inbrengen dat driekwart van de patiënten in dit ziekenhuis geen prijs stelt op een hand.’
Zo zout heb ik het nog niet vaak gegeten. Een arts gedraagt zich onbeschoft en dat is de schuld van de moslims in de samenleving. Waar doet me dat nu toch aan denken?

Ik adviseer de raad van bestuur van het Lucas-Andreasziekenhuis communicatietrainingen verplicht te stellen voor hun specialisten, vooral voor de afdeling Chirurgie. Ik bied me hierbij aan als trainingsactrice.

Apple-ellende
woensdag 24 november 2010

Is de appel niet de bron van alle kwaad?
Waarom heb ik niet aan Adam en Eva gedacht, voordat ik die glimmende, ruim opgezette winkel aan de Prins Hendrikkade binnenstapte?

Waarom vergat ik hoe de boze stiefmoeder Sneeuwwitje verleidde met haar begeerlijk vrucht?
Ook ik heb me laten betoveren door die vriendelijk ogende jongens en meisjes achter de enorme toonbank, die in de schitterend vormgegeven winkel hun aantrekkelijke producten verkopen.
Een Macbook-pro kocht ik, en een externe harde schijf, die volgens de verkoopteksten zo eenvoudig in bediening waren, zo competible met de al aanwezige Mac in huis. Ik hapte in de appel en in plaats van een vergiftigd hart, bleek ik, volgens de reparateur, die een deur verder in een onooglijk hokje verblijft om de misleidde sneeuwwitjes te woord te staan, een notebook gekocht te hebben die waarschijnlijk een corrupte Time-machine bevat.

Zo weet ik nu dat niet alleen politici, bankredacteuren en voorzitters van Commissies van Bestuur corrupt kunnen zijn, maar ook de software van een zojuist aangeschaft product. En ook al heb je daar meer dan duizend euro voor neergeteld, mevrouwtje, dan moet u onze helpdesk bellen, en kunnen wij niets voor u doen. Want in dat onooglijke reparatiehokje naast de grote verleidingsshop, repareert men uitsluitend hardware. Dus wordt ik verwezen naar een helpdesk die doorgaans niet bereikbaar is, en tien cent per minuut kost, want ook aan slecht afgeleverde producten moet men verdienen.

Wees dus gewaarschuwd voor het Apple-sprookje. Een glimmende Apple, aangeboden door leuke jongens en meisjes in mooie zwarte overhemdjes, in een Store omgeven met blingbling en Ipods en Ipads en Iphones en Macs and Supermacs…..het is allemaal prachtig. Maar mocht jouw aankoop vergiftigd zijn met een corrupt programma, dan ben je de klos. Ze helpen je niet, want het geld is al binnen.

Youp van het Hek, Superman der Sneeuwwitjes, waar ben je! Ik heb je nodig, in verband met corrupte software en een minstens even corrupte multinational!

Nummers
maandag 22 november 2010

Nooit eerder was ik zo blij met een nummer.

We krijgen gedurende ons leven veel nummers toebedeeld. Sommigen blijven ons ons leven lang bij, ook al heb je er niets meer mee te maken. Zo vergeet ik nooit het telefoonnummer uit ons ouderlijk huis. Zeven, drie, een, acht, een, zeven. Sinds veertig jaar nooit meer gebruikt, maar voor altijd opgeslagen in een dierbaar plekje van mijn geest. Zodra ik aan dat nummer denk, zie ik de zwart bakelieten telefoon voor me, met de ronde draaischijf en de talloze knopjes waarmee je kon doorverbinden naar een ander vertrek. Mijn vader had een praktijk aan huis, vandaar.

Nummers kun je meestal niet uitkiezen, ze worden je toebedeeld. Je sofinummer, je inschrijfnummer van de sportschool, je nummer van de bond of je lidmaatschapsnummer van de krant, ik moet ze altijd weer opzoeken en ze maken weinig emotie bij me los.
Alleen bij het verkrijgen van een mobiel telefoonnummer ben ik wel eens bevangen door vreugde, omdat het zo’n fijn, goed te onthouden nummer was, met lekker veel herhalingen erin.

Nooit eerder werd ik zo gelukkig van een nummer als op het moment dat ik vorige week via de uitgever op de hoogte werd gesteld van mijn eigen ISB-nummer. Nou ja, niet mijn nummer, maar dat van mijn eerste boek. Het liefst trakteerde ik op beschuit met muisjes om de uitgifte van dit nummer te vieren. Dat is wat voorbarig. Op dit moment wordt het boek, of nee, het manuscript, want een kind is een foetus tot het het licht heeft gezien, nog een keer serieus door de uitgever herlezen, waarna ik waarschijnlijk nog een en ander herschrijven ga. Dan komt de eindredactie. Het is dus nog in de maak en in februari wordt de boorling verwacht.

Maar het nummer is toegekend. Wie ISBnummer 978 90 5936 308 3 googled, ziet mijn naam en de titel van het boek: VERPLICHT GELUKKIG, portret van een familie.

Een voorstelling die je niet mag missen!
zaterdag 20 november 2010

Aangrijpende voorstelling in het Rozentheater.
Theater dat raakt en ontroert. Bedoeld voor jongeren, geschreven door Albert Schoobaar van Curacao. Ooit zelf een jongen uit de bario, die voelde dat er meer was dan de dagelijkse ellende om hem heen. Op school werd hij gegrepen als hij een goed boek in handen kreeg. Daarbuiten zag hij films en af en toe een theatervoorstelling.

Ik leerde Albert kennen toen ik met Ad de Bont, artistiek leider, regisseur en schrijver van veel bijzonder jeugdtheater, projecten op Curacao ontwikkelde. Albert bleek een multi-talent: als schrijver van theatervoorstellingen die dicht op de huid van de jongeren zit, voor wie ze gemaakt zijn.
Gespeeld op de scholen, in de klassen, de gymzalen of op locatie.
Als acteur, die moeiteloos schakelt tussen personages, die drama en humor combineert en altijd oprecht is in zijn spel.

Nu is hij met zijn groep TEATRO KADAKEN in Nederland, met de voorstelling ‘ E dekonstrukhon di Edsel K.’
Sylvia Andringa, voormalig artistiek leidster van Het Laagland en regisseuse van vele bijzondere voorstellingen regisseerde het stuk. Op Curacao is het gespeeld voor duizenden jongeren en volwassenen in landhuis Haaibaai in Willemstad.

De voorstelling wordt in het Papiamento gespeeld en boventitelt.
Het is een actueel verhaal over vriendschap, tolerantie en het gebrek eraan. Een voorstelling over vooroordelen, en over de moed te zijn wie je bent. En dat gebracht in een vorm die meestal licht van toon is en met scènes die humoristisch en soms hilarisch zijn. Deze voorstelling raakt en verdient een breed publiek van jongeren en volwassenen. Dus grijp je kans:
Vandaag in het Rozentheater, de rest van de week in het Bijlmerparktheater, in Almere, Tilburg, Rotterdam, Utrecht en Dordrecht. Daarna zijn ze weer weg. Dus ga nu!

Als iedereen schreeuwt…
dinsdag 9 november 2010

Geldnood is van alle tijden.

Toen de regering van Winston Churchill geld nodig had om de tweede wereldoorlog te financieren, werd hem geadviseerd het geld bij de kunst-en cultuurbegroting weg te halen. ‘Maar waar vechten we dan nog voor?’ vroeg de staatsman zich af.
Kom daar nog maar eens om, vandaag de dag.

De moord op de kunst-en cultuur doet gelukkig enig stof op waaien. In elk geval bij kunstenaars, en ook bij een deel van het publiek. Er is een grote nationale actiedag gepland: Nederland schreeuwt om cultuur. Op 20 november.

Ik ben nogal ongelukkig met deze actiekreet. De bedenkers van dit fenomeen sluiten aan bij de belangrijkste trend van de afgelopen jaren. De hele bevolking van Nederland lijkt niets anders meer te doen dan schreeuwen. Iedereen schreeuwt zijn eigen private mening uit, zo hard en ongenuanceerd mogelijk. Maar als iedereen schreeuwt, wie luistert er dan nog?

De Schreeuw, van Edvard Munch
Martha Nussbaum zei, in de prachtige serie Van de Schoonheid een de Troost, gemaakt door Wim Kayzer: ‘Ik put veel troost uit kunstwerken. Niet omdat ze mooi zijn, maar omdat ze vaak op pijnlijke wijze verdriet en hulpeloosheid uitbeelden. Muziek kan door de dagelijkse routine heendringen naar de hevige emoties die ver onder die routine begraven ligt.’

Ik zou willen dat we op 20 november stil zouden zijn, oorverdovend stil. En dat ieder van die zestien miljoen Nederlanders zich in die stilte zou afvragen, wat hem of haar het meest geholpen heeft, op een moment van diep verdriet. Was dat een JSF? De hypotheekrenteaftrek? Een animal cop? Een koranverbod?
Ik denk het niet. Waarschijnlijk was het dat prachtige muziekstuk, dat ontroerende liedje, of woorden met een groot troostend vermogen uit dat ene aangrijpende boek, dat rake gedicht?

Laten we minder schreeuwen, meer luisteren en datgene wat ons moet troosten als niets anders helpt, uit alle macht beschermen. Met elkaar.

Een menselijke stad
vrijdag 5 november 2010

Amsterdam, wat ben je ongeduldig!

Dat viel me op na terugkeer van een weekend Berlijn. Met een verlengde Volkswagenbus verhuisden we de spullen van zoonlief terug naar Mokum. Anderhalf jaar heeft hij genoten van de relaxte sfeer in de Duitse hoofdstad. Als afsluiting van zijn verblijf waren we daar, brachten de oude, op straat gevonden huisraad naar het recyclingpunt, schrobden de keuken en de badkamer, verfden de schimmel op de muren weg en droegen het huis ‘ganz pünktlich’ over aan de rechtmatig verhuurder.

Wat opviel tijdens het veelvuldige gemanoeuvreer met de verlengde bus in Berlijn was het vriendelijke geduld van de mede-automobilisten wanneer ze hun weg versperd vonden omdat het even tijd kostte de bus goed geparkeerd te krijgen. Geen toeter of gescheld gehoord, gedurende die vier hele dagen. Wel opgestoken handen als teken van groet of een glimlach.

Na zeven en een half uur terugrijden leverde ik de eerste passagier af in Sloten. Klein straatje, geen parkeermogelijkheid. We stappen uit, ik doe de achterdeur van het slot om de bagage eruit te halen en voordat de deur open is komt een auto met gierende remmen tot stilstand, ongeveer tegen mijn kuiten aan, en begint te toeteren. Een tweede vehikel sluit zich daar achteraan en voegt zich bij het toeterkoor. We staan niet langer dan een minuut in de straat.
Volgende stop, Agatha Dekenstraat, hetzelfde verhaal. Nog geen half uur terug in mijn geliefde woonplaats, en ik ben in volle hevigheid uitgetoeterd, toegescholden, heb middelvingers naar mij opgeheven gekregen, en dit alles omdat de ander me even op zijn weg vond en dat blijkbaar onverdragelijk was.

Ik zou iedereen die zich jachtend en intolerant jegens zijn of haar medemens door onze hoofdstad perst, willen adviseren zich een weekend te laven aan de vriendelijkheid van de bewoners van Berlijn. Ik hoop dat deze gejaagden zich dan realiseren, dat ieder van ons de mogelijkheid in zich heeft, een prettigere sfeer in onze eigen straat, in onze eigen stad, in ons eigen land te scheppen.
Als we onze samenleving niet zelf menselijk maken, doet niemand het.

Spijtoptant
vrijdag 22 oktober 2010

Ik was de sneuste soort spijtoptant die bestaat. Eentje die te laat is. Hoe treurig kan het zijn!
Als bewoner van Amsterdam West bezat ik vroeger een auto. Die heb ik de deur uit gedaan: een fiets, Greenwheels en het openbaar vervoer werden mijn middelen van vervoer. Vier gelukkige jaren gingen voorbij. Toen veranderde mijn werksituatie. Ik moest op rare tijden opdraven op locaties die in bosrijk en openbaar vervoersarm gebied gelegen waren. Bovendien mocht mijn dochter, in het trotse bezit van een rijbewijs, deze nieuwe competentie niet bestendigen in een ‘groene wielen’ auto. Voldoende reden om weer een eigen blik op wielen aan te schaffen.

Informerend bij de instantie die de parkeervergunningen in mijn stadsdeel bewaakt, kreeg ik te horen dat ik als ‘spijtoptant’ slechts het eigendomsbewijs van mijn nieuwe wegluis zou moeten tonen om weer in het bezit van een vergunning te komen. dus: oude auto van schoonmoeder gekocht, eigendomsbewijs getoond. Dat was het uur der waarheid: ik was als spijtoptant te laat s. Vier jaar zonder auto doet het recht op spijt verzuren. Sinds die tijd, nu twee jaar geleden, parkeer ik mijn auto in de periferie van onze stad. En omdat ik een nogal grote behoefte aan beweging heb, maak ik van de nood een deugd, en loop naar de auto wanneer ik die voor een lange rit, die niet te voet of per fiets te volbrengen is, nodig heb.

Twee jaar geleden liep ik dertig minuten naar de vrij parkeren zone, achter Station Lelylaan. In April vorig jaar werd die zone verlegd naar achter de Johan Huizingalaan, veertig minuten lopen. En vanaf juli staat het koekblik ter hoogte van de Meervaart.
Het zijn mooie wandelingen, door het Vondelpark, Rembrandpark, een stukje stedelijk gebied en dan langs de Sloterplas. Ik zag er al eens een grote roofvogel, ik denk dat het een buizerd was. Ik heb een natuurtuin ontdekt, waarvan ik het bestaan niet wist. Ik liep langs al die oude Nederlandse mannetjes die op bankjes, Marokkaanse mannen op wiebelige snackbar stoeltjes of staande op de straathoek de wereld van vandaag bespraken. Langs de kinderen die op hun racefietsjes voor hun moeders uit de stoep over scheurden. Langs de winkels, die bij het passeren hun geuren van over de hele wereld vrijgaven.

Deze maand heb ik, na twee jaar, een vergunning gekregen. Ik mag in mijn eigen buurt parkeren. Mijn status als sneue spijtoptant is tot een eind gekomen. Nu ben ik een vergunninghouder. Het is een minder mooi woord, maar het wordt er wel een stuk makkelijker op.

SCHOOL’S COOL
dinsdag 19 oktober 2010

Voor iedereen die genoeg krijgt van het negativisme en het politiek klimaat waarin problemen gecreëerd worden in plaats van opgelost, heb ik een goede tip. Wordt mentor bij SCHOOL’S COOL!
Iedereen met gezond verstand, met een middelbare schoolopleiding en met nog enig idealisme in zijn of haar donder kan zich aanmelden.

Een mentor wordt gekoppeld aan een leerling van de basisschool, die door de leerkracht voor het project wordt aangemeld. Het gaat om kinderen die op de een of andere manier het risico lopen in de problemen te komen bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Kinderen met een ingewikkelde thuissituatie en/of met leer- of gedrags-problemen. Kinderen die iemand nodig hebben die zo’n twee uur per week voor hem of haar wil vrijmaken.
Gedurende anderhalf jaar komt de mentor een keer per week bij de leerling thuis. De mentor helpt met het creëren van een goede werkplek in huis, leert het kind huiswerk plannen en leren, overhoord, legt uit, leeft mee. Kortom, is een steun in de rug in een periode die voor veel kinderen ingewikkeld is. En al doende leeft de mentor de ouder of ouders voor, hoe je dat doet, een kind stimuleren in zijn of haar schoolcarrière.

En het leuk van dit project is: het werkt! Begonnen in 1997 als een klein initiatief in Stadsdeel Westerpark, vindt het steeds meer gehoor door het hele land en zijn al meer dan vijfhonderd vrijwilligers actief. Maar het zijn er nog steeds te weinig.

Als trainingsactrice werk ik twee keer per jaar op de bijeenkomsten die voor de mentoren georganiseerd worden. Daar ontmoet ik de begeleiders. Jonge en oude mensen, mannen en vrouwen, met een twee of drie paspoorten, allemaal enthousiast en gemotiveerd. En tevreden, omdat ze daadwerkelijk iets kunnen betekenen, voor een kind, voor een jongen of een meisje, die dankzij hun aandacht meer kans heeft te slagen op school. En dat is, vandaag de dag, toch meestal de springplank naar en betekenisvol bestaan.

SCHOOL’S COOL, voor iedereen die liever problemen oplost dan creëert!
www.schoolscool.nl

De kinderen van Henk en Ingrid
zondag 3 oktober 2010

Alles van waarde is weerloos.

Ken je niet het moment dat je naar een muziekstuk of een liedje luisterde, en opeens een gevoel van ontroering in je opwelde, zonder dat je weet waar het vandaan kwam?
Ken je niet de ervaring dat je een tekst leest of hoort, en daarin jouw aller-individueelste binnenwereld weerspiegeld wordt?
Heb je ooit naar een schilderij of een foto gekeken, en toen gevoeld dat er ergens in jou een trilling ontstaat, iets wezenlijks in je raakt, niet perse benoembaar, maar wel essentieel?

Ervaringen die door kunst kunnen worden opgewekt. Die maken dat je je als mens kunt verbinden, je onderdeel van een geheel voelt, je herkent en erkent weet.

Dit is geen zweverig geleuter, maar doorleefde ervaring. Ik heb jarenlang voor kinderen en jongeren voorstellingen, evenementen en activiteiten georganiseerd en gemaakt. Niet voor een groepje elite-kinderen, maar voor de kinderen van Henk en Ingrid, Achmed en Rachida, Truus en Theo.
Want een van de verworvenheden van de zogenaamde linkse hobby’s is geweest dat dankzij de subsidies ook deze kinderen en jongeren naar voorstellingen, tentoonstellingen en manifestaties konden gaan, begeleidt door mensen die wisten op welke manieren ze dit jonge publiek ontvankelijk konden maken voor de intense ervaring, die kunst bij ieder mens teweeg weet te brengen, wanneer die leert daar open voor te staan.

Goede kunst ontroert, raakt, verbindt of ontregelt. Goede kunst past niet in een succes-format dat keer op keer herhaald kan worden. Goede kunst moet zichzelf opnieuw uitvinden, keer op keer. Goede kunst moet financieel ondersteund worden, omdat het zichzelf niet altijd overeind kan houden. Een samenleving zonder gesubsidieerde kunst is een kille samenleving, waarin het bindmiddel tussen de mensen is verdwenen en ze zich alleen nog maar verbonden kunnen voelen in een gemeenschappelijke haat.

Alles van waarde is weerloos. Laten we doen wat in ons vermogen ligt, Kwik, Kwek en Kwak ervan te weerhouden de brug op te blazen, die we nodig hebben om elkaar te bereiken. Mocht je het nog niet gedaan hebben, teken dan de onderstaande petitie, als een bescheiden begin van een gezamenlijk protest.

http://petities.nl/petitie/stop-culturele-kaalslag

De dorpsgek
dinsdag 28 september 2010

Vanmorgen was ik even de dorpsgek. Ik zat in de wachtkamer van de tandarts en in plaats van de Privé te lezen, wat men daar hoort te doen, checkte ik mijn mail op de telefoon. Leven het mobiele internet! Ik kreeg een mailtje van mijn broer Miquel. Hij had gereageerd op een artikeltje in het Parool van ‘Frenk der Nederlanden.’ Ik wil u zijn mailtje niet onthouden en hoop van harte dat u hetzelfde overkomt als mij in die volle wachtkamer vanmorgen:

Beste Frenk,

In je stukje over Xaviera (Hollander) schrijf je ‘haar vader was Joods, haar moeder Frans/Duitse mannequin.’ Hoe is het woord ‘Joods’ bedoeld, is de vader van beroep Joods?
Of wil je daarmee een (ontbrekende) nationaliteit aangeven?
Kan een Frans/Duitse mannequin ook Joods zijn of zijn die altijd Katholiek?

Frenk?
Anybody in there?
Of bedoel je eigenlijk te zeggen; haar vader was een Joodse intellectueel en haar moeder nog net geen hoer? (Zoals Xaviera wel was)
Of een beetje als Norman Mailer en Marilyn Monroe?
Frenk, verklaar u nader!

Nederlands/Joods van vaderzijde (niet als beroep)
M.O. Goldschmidt

Het antwoord van Frenk kon ik niet meer in me opnemen. De mensen in de wachtkamer schoven wat onrustig op hun stoelen en hielden me goed in de gaten, om te checken of ik niet gevaarlijk zou worden. De overweldigende lachbui kreeg ik pas weer enigszins in bedwang op het moment dat men de tandsteen van mijn gebit begon te schrapen.

Zwanger van een titel
dinsdag 21 september 2010

Tja, de champagne is op. Het huiselijke feest waarop gevierd werd dat moeders veranderd is in een heuse debutante is gevierd. En dan moet er weer gewerkt worden. Het manuscript, dat tot nu toe zo lekker vrijblijvend een boek in wording was, zonder enige verplichting, moet nu veranderen in een definitieve eerste versie, die over een paar weken wordt ingeleverd. Zo staat het in het contract, het ‘model debutantencontract’, opgesteld door de Vereniging van Schrijvers en vertalers, en overgenomen door de uitgever. Want beter kan het altijd en beter moet het. Dus moet er gedisciplineerd gesleuteld, ingekort, uitgebreid, herschikt en een nieuwe titel bedacht.

Wat is de titel een moeilijk ding. Ik.had een hele mooie, dacht ik. Wat zeg ik, ik heb al zoveel mooie titels gehad. De Spraakmaker was de laatste. Leuk, vond de redacteur, maar alleen als je het boek al gelezen hebt. Anders zegt het te weinig. En bovendien slaat De spraakmaker alleen op de vader en niet op de ik-figuur. Afgevoerd dus.
Zware lucht, was mijn allereerste titel. Maar dat schijnt niet te verkopen in deze tijden, waarin alles luchtig en vrolijk moet zijn, hoewel de werkelijkheid alles behalve dat is.
Ik denk de hele dag over titels na. Knielen op een bed violen, Publieke werken, Godenslaap, Kleine dagen, Schaduwkind, Boven is het stil, om maar eens een paar titels te noemen waarachter prachtige boeken schuilgaan. Maar weet je dat op het moment dat je die titel hoort? Nee toch?

Naast mijn manuscript staat op mijn computer het document: ‘mogelijke titels’ de hele dag open. Twee Aviertjes vol heb ik al. Geen idee of DE titel erbij staat. Ik vind ze allemaal prachtig…maar als je er over doordenkt, zit overal wel een maar aan.

Het is net als een kind krijgen. Ik ben zwanger van een titel. Ik weet dat die erin zit, maar hoe hij (want titel is een mannetje) eruit gaat zien, daar heb ik nog geen idee van. Een ding weet ik zeker: over een maand, maximaal twee, is de titel van mijn boek geboren. Dan gaan we weer een feestje bouwen!

Debuteren!
donderdag 16 september 2010

Vorige week was het eindelijk zo ver. Na drie jaar schrijven, na het opsturen van het manuscript en na de maanden van het martelende afwachten, was ik eindelijk op weg naar de afspraak met de beoogde uitgever. De zekerheid dat ik een goed boek had geschreven was in die maanden dat ik mijn geesteskind uit handen had gegeven, langzaam opgelost. Als een ijsje dat te lang aan zonlicht is blootgesteld en van een mooi bolletje veranderd is in een kleverige drab.

Op weg naar zo’n belangrijk gesprek lijkt alles van belang. Het feit dat de lichten op groen springen wanneer ik aan kom fietsen, kan gezien worden als een goed teken. Ook dat de zon is gaan schijnen na de hele ochtend tegen een donkere wolkenlucht te hebben aangekeken, mag als positief worden uitgelegd.
Bang om te laat te komen, bevind ik me te vroeg in de buurt van de uitgeverij. Voor de afgesproken tijd aankomen is geen optie, dat staat te gretig, dat moeten we niet hebben.
Terwijl ik dat bedenk, zie ik mijn buurman, midden in het centrum, op straat een sigaretje roken. Blij met deze ontmoeting, stap ik af en rook, als niet roker, voor deze bijzondere gelegenheid een sigaretje mee. Buurman moet zo naar binnen bij een bank. Hij is fotograaf en hem is gevraagd over een opdracht te komen praten. Wanneer de rookstokjes geconsumeerd zijn wensen we elkaar succes en treden beiden de panden van onze potentiële opdrachtgevers binnen.

Als een zeer gelukkig mens stap ik een uur later de deur van de uitgeverij weer uit. Mijn toestand is compleet veranderd. Ik ben niet langer een vrouw met onduidelijke bezigheden, wachtend op een Salomonsoordeel. Nee, ik ben veranderd in een debutante. Mijn boek wordt uitgegeven, in het voorjaar van 2011 door de zeer gerenommeerde Uitgeverij Cossee!

De zon straalt, net als ik. Op dezelfde plek als een uur eerder, tref ik weer buurman aan. Ook hij is tevreden want heeft zijn opdracht binnengehaald.
We vieren het met nog een sigaretje en fietsen gelukkig naar huis.
Aan het werk; mijn eerste echte deadline voor mijn eerste echte ‘Faction’ boek wacht.

Hans Vermaas
dinsdag 7 september 2010

Gisteren was ik bij de begrafenis van mijn mentor van veertig jaar geleden. Hij was leraar op het Montessori luceum in Amsterdam. Ik was veertien, pukkelig en bijziend. Ik had geen enkel vertrouwen in mezelf en ook niet in de volwassenen om me heen.

De tekenlessen van Hans-Erik Vermaas waren inspirerend. Je kreeg van hem de ruimte je eigen stijl te ontdekken en hij gaf genoeg houvast, om dat op een prettige manier te kunnen doen. Ik had het geluk dat ik niet alleen tekenles van hem kreeg, maar dat hij ook mijn mentor was. Hij was geestig, daadkrachtig, duidelijk en relativerend. Hij toonde werkelijke aandacht en interesse. Ik voelde me door hem serieus genomen.

In die jaren, waarin ik de zojuist geopende poptempel Paradiso, de permanente demonstratie voor het Amerikaanse consulaat en de love-ins in het Vondelpark oneindig veel interessanter vond dan de school, bleef Hans Vermaas een onwrikbaar vertrouwen in me hebben. Dat had ik nodig. Door zijn plezierige en nooit opdringerige betrokkenheid kreeg ik een beetje geloof in mezelf. Uiteindelijk ben ik aan het werk gegaan. Vooral omdat ik zijn vertrouwen niet wilde beschamen. Op mijn eerste verslag na deze ommekeer concludeerde Hans Vermaas: ‘Saskia dreigt een goede leerling te worden.’

Hij was niet alleen voor mij een belangrijke leraar. Gisteren werd duidelijk hoe hij hele generaties leerlingen geïnspireerd heeft. Een van hen had uitgerekend dat hij er drieduizend gehad moet hebben.
Hij was ook een groot kunstenaar die prachtige portretten en landschappen maakte. Een goede schoolleider, een inspirerende vader voor zijn vijf jongens, een liefdevolle echtgenoot en een liefhebber van rode wijn.

Nog steeds groeit in mijn plantenbak jaarlijks oost-indische kers, die ik ongeveer tien jaar geleden van hem gekregen heb. Want toen hij de school verlaten had begon hij groene vingers te ontwikkelen. Hij kweekte planten waarmee hij de bloembakken rondom zijn eigen huis vulde, maar ook vrienden en kennissen blij maakte.

De oost-indische kers in mijn plantenbak is nu zo’n beetje uitgebloeid. Volgend voorjaar zal die weer opkomen. Voor mij een herinnering aan mijn beste leraar en aan een inspirerend mens.

De dood zit te schaken in de Jordaan
maandag 23 augustus 2010

In de Amsterdamse Jordaan zit dood te schaken achter een etalageruit van een antiek winkeltje. Wanneer ik daar langs kom moet ik denken aan wat mijn vader wel eens over mijn opa vertelde.
‘Je grootvader was een verdomd goed schaker, die regelmatig een partijtje speelde met grootmeester Max Euwe.’ Wanneer mijn vader dat vertelde klonk er trots in zijn stem.

Omdat ik mijn vader net begraven heb, kom ik overal verwijzingen naar hem tegen. Ik stap van mijn fiets, ga het winkeltje binnen, en vraag of ik een foto mag maken. Dan vertel ik de verkoper dat de begrafenis van mijn vader nog vers is en waarom zijn stilleven me heeft doen stoppen.

‘Tja,’ zegt de man. ‘Ik heb dat skelet uit Frankrijk meegenomen. Het is niet eens antiek, puur plastic, maar toen ik het vond zag ik meteen voor me, dit plaatje in m’n etalage. Het is grappig wat voor verhalen het bij mensen oproept. Er is al een vrouw binnen geweest, een, hoe noem je zo iemand nou, ja, zo iemand die met botten werkt. Ja, een manueel therapeut. die wilde het skelet wel om haar patiënten uit te leggen met welke botten ze aan de slag gaat.
Ikzelf heb mijn vader vijftien jaar geleden begraven. Hij heeft gewacht met sterven, totdat ik van een verre reis terug kwam. Pas toen ik er was, is hij doodgegaan. En weet je wat? Dat heeft me zo goed gedaan, dat hij voor één keer rekening met me heeft gehouden. Alles wat daarvoor zo pijnlijk is geweest, het je nooit erkend weten, nooit gezien worden, het was in een klap over. Mooi is dat, vind je niet?’

Ja, het is mooi dat een vader in zijn laatste uur nog zoveel goed kan maken.
We wensen elkaar een mooie dag toe.

Schouderpijn
woensdag 18 augustus 2010

Mijn linker schouder is blauw en beurs. Twee dagen geleden rustte op mijn schouder de ‘joodse eco-kist,’ waarin mijn vader lag. Hij is zesennegentig jaar en een dag geworden.

Mijn vader stierf afgelopen dinsdagmorgen, om 00.20 uur, voor de tweede keer. De eerste keer was vijfenzestig jaar geleden. Hij lag als verhongerde gevangene van het concentratiekamp Bergen-belsen in een trein, waarin 2500 zieke en stervende mensen kriskras door Duitsland werden vervoerd. Ze waren gevangenen van de SS, die trachtten aan zowel de geallieerde legers als aan de mannen van Stalin te ontsnappen en dachten met een trein vol stervende mensen nog iets te onderhandelen te hebben.
Toen ik een kind was vertelde mijn vader soms dat sterven het eenzaamste is, wat een mens kan overkomen, want je hebt geen energie meer om nog contact met de buitenwereld te houden. ‘Tenslotte had ik niet meer de kracht nog te ademen. Ik rochelde alleen nog maar’ zei hij tegen me. ‘Toen ik mijn arm niet meer op kon tillen, wist ik dat ik niet meer dan twee dagen te leven had.’ Het waren de Russen die mijn vader voor de poorten van de dood weggristen en hem het leven weer inschopten.
Er zijn weinig mensen die hun dood twee keer beleven.

Toen ik maandagmiddag, de dag voor hij doodging, naast hem zat, rochelde hij. Hij was niet meer bereikbaar, kon niet meer praten, hoewel zijn mond soms probeerde woorden te vormen en hij met fronsen van zijn voorhoofd soms reageerde op een zin die ik sprak. En de hele middag hief hij keer na keer zijn arm omhoog, en liet hem daarna weer krachteloos vallen. Ik denk dat hij zichzelf wilde bewijzen, dat hij nog meer dan twee dagen te gaan had.

Hoewel hij nu helemaal niet verhongerd was, en dus minder zwak zou moeten zijn dan ‘de eerste keer dat hij stierf,’ en hoewel hij die middag nog met kracht mijn hand had weggeslagen, toen ik probeerde iets aan zijn kleding te veranderen, en hoewel hij zijn arm nog keer op keer de lucht had ingestoken, is hij die nacht gestorven. Verlost uit een leven, waarin hij al zoveel eerder zijn autonomie had moeten opgeven.

Het past wel, vind ik, dat je twee dagen na de begrafenis nog fysiek voelt waar de kist op je schouders drukte. Het herinnert me aan mijn vader. Aan het verdriet over het afscheid en aan de opluchting, omdat hij niet langer onder zijn ouderdom hoeft te lijden. Met zwarte touwen lieten we hem zakken in een tweepersoonsgraf onder de eeuwenoude bomen van begraafplaats Zorgvlied. De pijn in mijn schouder wordt elke dag minder. En herinneringen aan hem vullen de ruimte op, waarin ongerustheid niet langer nodig is.

Stationstoiletten
zaterdag 7 augustus 2010

Het schoonste stationstoilet van Nederland bevindt zich waarschijnlijk in station
Groningen.Vanmorgen vroeg stapte ik daar binnen. Ik was verrast toen ik, reeds voor de drempel, verwelkomd werd door een geurzuil van citronella. Het was bepaald een overweldigende ervaring voor zowel de neus als het ademhalingsorgaan.

De ruimte is bekleed met zachtgele tegeltjes, die niet misstaan in een designkeuken aan de IJ-oevers. De toiletmevrouw, jong en bewapend met een schrobber, waarmee ze ieder spatje onmiddellijk wegwist, zegt vriendelijk goedendag en richt haar ogen even subtiel op het bordje waarop ‘toiletgebruik 50 ct’ geschreven staat. Maar dan heb je ook wat.

Aan de wand tegenover de ingang hangen ansichtkaarten, verpakt in plastic, geschikt voor iedere gelegenheid: geboorte, rouw en alles daartussenin. Voor één euro ben je eigenaar van zo’n kaart en hoef de Bruna niet meer in.
Overal in de ruimte, zowel binnen als buiten de toiletten, bevinden zich brandende waxinelichtjes in glazen potjes, zodat ik deze grijze zomermorgen associaties krijg met kerst.

Wanneer ik de vrouw complimenteer met haar verzorgde koninkrijkje, barst ze los: ‘Eindelijk een complimentje. Ik heb vanmorgen al heel wat voor de kiezen gehad. Eerst een junk die zei dat hij hier aids had opgelopen. En daarna een mevrouw die binnenkwam met een zuurstofmasker voor haar gezicht, en een tankje aan haar zij. Volgens haar had ze dat express opgedaan omdat ze allergisch is voor het schoonmaakmiddel dat ik gebruik. Helemaal uitgedost, omdat ze persé hier naar het toilet moest. Als je weet dat je allergisch bent, dan kom je toch gewoon niet hier!’ De koningin van het toiletten-rijk wordt weer boos als ze aan de confrontatie denkt. ‘Maar als je nou toch echt plassen moet,’probeer ik nog voorzichtig.
‘Dan gaat ze toch thuis, ze hoeft hier toch niet te komen!’ explodeert mevrouw, die het complimentje alweer helemaal vergeten is. En om aan te geven dat wat haar betreft de conversatie gesloten is, begeeft zij zich met haar schrobber naar de toiletten.

Een aanrader, die Groningse toiletten. Mits je niet allergisch bent voor citronella.

Ernstige ouderdom
donderdag 29 juli 2010

Mijn vader lijdt aan ernstige ouderdom en dat heeft hij nooit gewild. ‘Ik weet hoe het is om aan de hongerdood te sterven’ zei hij vroeger wel eens. Als kampoverlevende is hij indertijd ternauwernood herrezen. ‘En ik heb dat oneindig veel liever dan een langzame aftakeling waarbij mijn verstand het begeeft en ik geen zeggenschap meer over mijzelf heb.’ Het is de beschrijving van de situatie waarin hij nu gevangen zit.

Hij wordt met niet aflatende liefde verzorgd door zijn vrouw en een legertje katholieke dames, die zijn getraind in het verlengen van het leven, of dat nou gewenst is of niet. Hij woont in Duitsland, mijn vader.
Twee keer per dag wordt hij gewassen en verschoond. Ook dat gebeurt met zorg en aandacht. Maar iedere aanraking die geen zachte aai over zijn gezicht is, roept angst voor lijden en pijn bij hem op. Dan keren de mishandelingen van weleer terug in zijn geheugen, terwijl de meeste herinneringen zijn weggezakt in de mist van zijn geest. En dus schreeuwt en gilt hij, en scheldt en slaat, totdat ze klaar zijn en hij vermoeid achterover in zijn kussens gaat liggen, en zijn ogen sluit. Niet nadat hij hen bedankt heeft, want beleefd is hij nog steeds. Daarna wordt hij vriendelijk ‘gemotiveerd’ iets te eten en te drinken, hoewel zijn enthousiasme daarvoor niet erg groot is.
Hugo Claus ging kreeft eten en champagne drinken nadat de dokter het oordeel dementie geveld had. Nog één keer het leven vieren alvorens bewust de dood te zoeken. Want als je wilsonbekwaam bent, ben je de klos. Dan wordt je vriendelijk gedwongen, de beker, die steeds weer gevuld wordt met versterkend sap, tot het bittere einde te ledigen. En dus lijdt mijn vader aan ernstige ouderdom.

Telefonisch leuren
donderdag 22 juli 2010

‘Goedemorgen mevrouw Goldschmidt,’ klinkt de gekunsteld-blije mannenstem door de telefoon. Ze zijn uit duizenden te herkennen, de verkoopstemmen. Ik meende van hen gevrijwaard te zijn, sinds ik me heb aangemeld bij het ‘Bel mij niet’ register en inderdaad, sindsdien is het een stuk stiller. Maar deze gladde verkoper meldt dat hij van de Postcodeloterij is. Nu ben ik al jaren door deze organisatie gegijzeld. Twaalf jaar geleden ben ik lid geworden, er op een onbewaakt moment in getuind en dus nu gedoemd te doneren tot aan mijn dood, om niet mee te hoeven maken dat de hele straat het grote geld binnenhaalt, uitgerekend in de maand nadat ik eindelijk heldhaftig voor een verder lidmaatschap bedankte.

Nooit eerder ben ik door de PCL thuis gebeld. Even gaat het door mij heen dat het nu eindelijk zo ver is, ik heb gewonnen! Door deze hebberige gedachteflits verzuim ik kenbaar te maken dat ik niet gediend ben van telefonische verkooppraatjes. Daar is deze meneer op getraind. ‘Mevrouw Goldschmidt,’ tettert de man met een vreugdevolle stem, alsof Hij net mijn miljoen gewonnen heeft, ‘Mag ik u feliciteren?’ ‘ Ik wentel mij nu even in een dagdroom van champagne, een hele grote cheque en allemaal blije mensen om mij heen. Maar wanneer de auditieve leurder mijn naderende verjaardag noemt, verschrompelt het Dagobert Duckfantasietje. Toch ben ik week gemaakt door het moment waarop ik meende gewonnen te hebben. En dus laat ik mij masseren door het geleuter over een fantastisch aanbod.

Ik moet bekennen dat ik me bijna laat verleiden om twee maanden, TWEE MAANDEN Mevrouw Goldschmidt!, gratis mee te spelen met vier extra loten. Ik krijg er nog een bonus bij, maak kans op een Audi, en als Linda haar koffer opent …het opgewonden gehijg van de man moet verhullend dat er een heleboel addertjes onder het gras zitten van het genereuze aanbod.
Ik kom op tijd bij zinnen. Terwijl meneer onze afspraken afratelt, die voor trainingsdoeleinden worden opgenomen, herinner ik me de belofte die ik mezelf deed nooit meer te zwichten voor auditieve leuteraars. En dus zeg ik dat ik het allemaal niet wil, die loten en bonussen en de hele rimram. Voor het eerst verliest de man zijn opgewekte toon. Nu gaat hij dreigen. ‘Mevrouw, u ziet er vanaf? Dat is uw goed recht. Maar wanneer uw buren een miljoen binnenhalen, en u niet, dan kunt u niet zeggen, dat wij u geen aanbod gedaan hebben. Aan ons heeft het niet gelegen.’ Dat beaam ik. Een groot gevoel van opluchting maakt zich van mij meester. Want nu die leuteraar mijn grote angst heeft uitgesproken, lijkt het opeens minder erg als ik moet toekijken hoe mijn buren winnen.
Ik geef graag aan goede doelen. Maar liever niet meer uit angst dat ik anders iets misloop. Het wordt tijd om echt te geven. En dat betekent dat je er niets voor terug hoeft. Teleurgesteld hangt de man op. Weer geen bonus voor hem!

Elf Juli
maandag 19 juli 2010

Elf juli is een memorabele dag. Voor de weduwen van Screbrenica is het de zwarte dag waarop hun mannen en zonen onder het toeziend oog van Nederlandse Dutchbat-soldaten werden afgevoerd. Het uitdrukkelijk verzoek van de nabestaanden om de WK-finale niet te laten samenvallen met de herdenking van dit drama werd door de FIFA genegeerd. En dus is het ook de dag van de verloren finale. Verloren? Dat lijkt niet echt doorgedrongen tot de hoofden van de meeste Nederlanders, die uit hun dak gingen als nooit tevoren. Het Nederlandse volk lijkt steeds minder in staat teleurstelling en verlies te incasseren.

Daags na het volksfeest fiets ik langs een kantoorpand aan de Apollolaan. Daar schreeuwt een spandoek in kapitalen: ‘Het gebouw waar John Lennon op uitkeek, is eindelijk weer te huur.’
Een blije boodschap, refererend aan de tijd waarin het Vondelpark veranderde in een hippiecamping, waar rondom de speakerscorner gediscussieerd werd over seks, het witte-fietsen-plan en Afghanistan, het land dat toen bekend stond als leverancier van de beste hasj. Midden in de jaren dat Amsterdam het centrum van de vrije wereld was verschenen als toefje op de taart in de zomer van 1969 John en Yoko in de stad. Vanaf elf juli hielden zij zeven dagen en nachten in kamer 902 hun ‘bed-for-peace’ actie, bij wijze van huwelijksreis. De hele internationale pers verzamelde zich aan het voeteneind van hun dubbletwinmultisizegigabed waar meneer en mevrouw Lennon hun boodschap van liefde, vrede en lang haar predikten. Ik stond als minihippie buiten temidden van een schare fans en was nog nooit zo dicht bij een idool geweest.

De tekst aan het spandoek op de Apollolaan zou ook anders kunnen zijn, bedenk ik terwijl ik doorfiets. ‘Het kantoorpand waar Herman Brood op uitkeek, voordat hij van het Hilton-dak zijn dood tegemoet sprong, is weer te huur’ is tenslotte even waar. Het zal wel minder verkopen. Blije boodschappen doen het beter in deze tijd.
Die elfde juli 2001, op de dag af tien jaar voor de gênante vertoning in Kaapstad, vloog Herman Brood
zijn leven uit, met een duizelingwekkende sprong. En tien jaar en twee dagen later viert Nederland feest alsof we wereldkampioen zijn geworden. Misschien dat we daarmee gehoor hebben gegeven aan Hermans laatste wens. Want in zijn broekzak zat immers het briefje waarop stond: ‘Maak er nog een groot feest van.’ Dat hebben we gedaan, volkomen misplaatst maar o zo vrolijk, tien jaar na de duikvlucht van één van de laatste vertegenwoordigers van het wilde jaren-zestig leven, op elf juli, terwijl in Screbrenica de doden opnieuw begraven werden.

Duivenverdrijvers
woensdag 14 juli 2010

Buiten de ijzerhandel staat een bord waarop ‘duivenverdrijvers’ worden aangeboden. Geïnspireerd door het ondergepoepte balkon van een zojuist verhuisde vriend haast ik mij naar binnen. De man van de ijzerhandel toont mij een stripje met daarop lange, ijzeren punten, die op de rand van het balkon geplakt moeten worden waardoor een omgeving gecreëerd wordt die herinnert aan de luchtplaats van een gevangenis. Maar gelukkig heeft de winkel ook een loep in de aanbieding, voor twee euro. Die wil ik wel kopen.
‘Daarmee had ik het contract moeten lezen toen mijn schoonvader me voorstelde in de winkel te komen werken.’ zegt de ijzerhandelaar, terwijl hij het bedrag op de kassa aanslaat.
‘ Hoezo?’ vraag ik de man, die op mij in al die jaren dat ik al bij hem binnenloop, altijd een blije indruk heeft gemaakt. ‘Zou je het dan niet gedaan hebben? Heb je het niet naar je zin?
‘Ach,’ zegt de verkoper, ‘er was geen sprake van zin hebben of niet. Mijn vrouw werd ernstig ziek, en ik kon die man toch niet in z’n eentje in de winkel laten staan. Maar ik dacht dat het voor een jaartje zou zijn en nu sta ik hier al twintig jaar.’
‘Wilde je dat het anders gegaan was?’ vraag ik hem. Hij denkt even na, kijkt verrast op en zegt: ‘Nee, ik zou het allemaal precies zo gedaan hebben. Ik heb nergens spijt van. Niet van mijn vrouw, niet van mijn schoonvader en niet van de winkel. Ik ben heel tevreden.’
‘Gelukkig,’ zeg ik en leg het twee-euromuntstuk neer.
Als ik de deur uitstap zegt de verkoper:’ nog een fijne dag en bedankt voor het leuke gesprek.’
Een oplossing voor de duivenpoep is er nog niet, maar toch stap ik vrolijk de warme zomerlucht in.

Spontane ontmoetingen
maandag 5 juli 2010

Spontane ontmoetingen worden zeldzaam, net als het band-en garenwinkeltje en de oude schoenlapper in zijn souterrain. Een geslaagd persoon heeft het druk en kan met moeite op een termijn van twee weken een gaatje in de agenda vinden om een afspraak te maken elkaar in levende lijve te treffen. Hoe minder tijd iemand heeft, des te hoger hij op de sociale ladder lijkt te staan.
Een van de weinigen die tegenwoordig nog onaangekondigd voor de deur staan zijn de dames in hun donkerkleurige regenjassen die je vriendelijk doch dringend vragen of je een moment hebt om over Christus te praten. Hoewel ik een voorstander ben van spontane ontmoetingen, vind ik het daar nooit het goeie moment voor. Hij heeft zijn kans wel gehad, na tweeduizend jaar.
Daarnaast is het eigenlijk uitsluitend de freelancer, die nog wel eens onaangekondigd op de bel van een collega zzp’er wil drukken met de vraag of je niet aan koffie toe bent. En in tegenstelling tot hen, die ‘in dienst van’ elkaar treffen bij de instant koffieautomaat waaruit meer gezoete melkpoeder dan koffie komt, zetten wij ons achter een versgemalen cappuccino en nemen het er even goed van.
Ik hecht aan de spontane ontmoeting. Ze leveren dikwijls de leukste gesprekken op, misschien juist omdat je overvallen wordt terwijl je het niet verwacht. Het kan zijn dat je gestoord wordt op het moment dat je de clou van je verhaal schrijft, of juist in grote cirkels om je computer heen draait, zoekend naar het begin voor die nieuwe opdracht. Tegenwoordig kan ik ook heel druk zijn met me zorgen maken over de lege plekken in mijn agenda. Wij freelancers vangen immers de klappen op van de creditcrisis. En van de aswolkcrisis. En van de landencrisis. En vast ook van iedere andere crisis die ons nog gaat overvallen.
En zo zijn het de christenen, de freelancers en de Vutter’s, zij die oud genoeg zijn om nog net gebruik te kunnen maken van ruimhartige en vroegtijdige pensioenregelingen, die de meest actieve beoefenaars zijn van ‘de spontane ontmoetingen.’ Ik had graag tot de Vutters behoord, opdat ik me nooit meer zorgen zou hoeven maken over inkomen, maar bij gebrek aan een daarbij behorende gunstige geboortedatum, prijs ik mij gelukkig dat ik als zzp’er in de gelegenheid ben de ‘spontane ontmoeting’ te kunnen beoefenen. Ik betaal daarvoor graag met de dreiging in de toekomst op een houtje te moeten bijten. Bij een lekkere cappuccino. Alles heeft tenslotte een prijs.

de nukken van de dag

Getekend door Doortje Hannig.